Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 20 oktober 2017
ECLI:NL:RBROT:2017:7907
Stichting STC-Group/werknemer
Feiten
Werknemer is op 1 september 2014 bij Stichting STC-Group (hierna: STC-Group) in dienst getreden in de functie van leerlingbegeleider. Op 30 september 2016 heeft een vrouwelijke leerling een officiële klacht ingediend bij STC-Group als gevolg van seksuele intimidatie door werknemer jegens haar. In de periode van 4 tot 10 oktober hebben nog vijf andere leerlingen soortgelijke klachten ingediend. STC-Group heeft naar aanleiding van deze incidenten de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens verwijtbaar handelen (e-grond) en subsidiair wegens ongeschiktheid tot het verrichten van de bedongen arbeid (d-grond). Bij een tussenbeschikking van 23 december 2016 is STC-Group veroordeeld tot nadere bewijslevering van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel intimiderend en grensoverschrijdend gedrag tegenover leerlingen. Het door STC-Group aangeleverde bewijs bestaat uit verklaringen van drie docenten c.q. medewerkers van STC-Group.
Oordeel
De kantonrechter overweegt als volgt. Van (ernstig) verwijtbaar handelen in de zin van artikel 7:699 lid 3 onderdeel e BW is sprake wanneer komt vast te staan dat werknemer in kwestie seksueel intimiderend en grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond richting de leerlingen die daarover hebben geklaagd. Het is van groot belang dat deze ernstige aantijgingen zorgvuldig worden onderzocht, omdat deze verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor het bestaande dienstverband en mogelijk toekomstige dienstbetrekkingen van werknemer. In dit verband stelt de kantonrechter voorop dat het door STC-Group geleverde bewijs (de getuigenverklaringen) niet op eigen waarneming van de docenten berusten, maar op wat de leerlingen hun daarover – achteraf – hebben verteld. Omdat de leerlingen niet als getuigen zijn gehoord, kan de kantonrechter evenmin de betrouwbaarheid van de klachten van deze leerlingen beoordelen. De verklaringen van ‘horen zeggen’ leveren dan ook onvoldoende grond op voor het oordeel dat sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen aan de zijde van werknemer. Hoewel vastgesteld wordt dat werknemer de wang van een vrouwelijke leerling heeft aangeraakt – hetgeen ontoelaatbaar is – voert het te ver om daarop te reageren met de toepassing van het zwaarste middel dat in het arbeidsrecht voorkomt, te weten: een ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de voorgaande overwegingen van overeenkomstige toepassing op de beoordeling van het subsidiaire ontbindingsverzoek wegens de ongeschiktheid van werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid, aangezien STC-Group hieraan hetzelfde feitencomplex ten grondslag heeft gelegd. De slotsom is dat het verzoek van STC-Group tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst integraal wordt afgewezen.