Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/BAM Utiliteitsbouw BV
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 juli 2011
ECLI:NL:GHARN:2011:BR4059

werknemer/BAM Utiliteitsbouw BV

Werknemer behoudt recht op vakantieverlof tijdens en na non-actiefstelling. Periode van non-actiefstelling mag niet in mindering worden gebracht op vakantieverloftegoed. ATV-dagen zijn geen vakantiedagen

Werknemer (62 jaar) is op 16 augustus 1965 bij (de rechtsvoorganger van) BAM in dienst getreden, laatstelijk werkzaam als hoofd technologie. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Bouwnijverheid (UTA-werknemers) (verder: de CAO) van toepassing. Per 1 oktober 2006 heeft BAM werknemer op non-actief gesteld c.q. vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden, omdat zijn arbeidsplaats wegens een interne reorganisatie was komen te vervallen. Op 1 oktober 2006 bedroeg het aantal door werknemer niet-genoten vakantiedagen, seniorendagen en atv-dagen 131. Krachtens de CAO heeft werknemer recht op uitbetaling van deze dagen bij einde dienstverband. Bij beschikking van 25 mei 2009 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden met ingang van 15 juni 2009, tegen toekenning van een vergoeding van € 237.848 bruto aan werknemer ten laste van BAM. Werknemer vordert thans uitbetaling van alle niet-genoten vakantiedagen e.d. (inmiddels ruim 219 dagen). BAM stelt zich onder meer op het standpunt dat werknemer zijn vakantiedagen e.d. heeft ‘verbruikt’ tijdens de non-actiefstelling.

Het hof oordeelt als volgt. In geval van een op non-actiefstelling met behoud van loon, zoals in het onderhavige geval, gaat de opbouw van vakantieaanspraken door (HR 17 maart 1989, NJ 1989,437). Het standpunt van BAM zou leiden tot het onaanvaardbare gevolg dat door een eenzijdige maatregel van de werkgever, de op non-actiefstelling van de werknemer, diens vakantieaanspraken komen te vervallen, niet alleen die welke in de periode van non-activiteit zijn opgebouwd, maar ook die welke al vóór de op non-actiefstelling waren opgebouwd, maar niet genoten. Dat is niet alleen strijdig met het uitgangspunt van artikel 7:641 BW, maar ook met het uitgangspunt van artikel 7:638 BW, dat de wensen van de werknemer in beginsel bepalend zijn voor de tijdstippen waarop vakantie wordt genoten. Of werknemer aanspraak kan maken op een geldelijke vergoeding voor niet-genoten atv-dagen wordt bepaald door wat partijen te dien aanzien zijn overeengekomen, dan wel door de CAO. Dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen voorziet in een verplichting van BAM tot uitbetaling van niet-genoten atv-dagen is gesteld noch gebleken. Het aangehaalde artikel 6.a. van de CAO voorziet evenmin in een betaling door de werkgever aan de werknemer van niet genoten atv-dagen.

BAM mocht – op grond van artikel 7:638 BW – collectieve verlofdagen in mindering brengen op het tegoed van werknemer.