Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 20 oktober 2011
ECLI:NL:RBSHE:2011:BV7925
FCI ’s-Hertogenbosch BV/werknemers
In 2002 heeft binnen FCI een reorganisatie plaatsgevonden als gevolg waarvan circa 180 arbeidsplaatsen zijn komen te vervallen. In het kader van deze reorganisatie is een sociaal plan opgesteld, dat een seniorenregeling voor 55-plussers bevat. De regeling beoogt de periode te overbruggen van de 55-jarige leeftijd tot de prepensioenleeftijd (destijds: 58 jaar) in de vorm van salaris, gevolgd door een TOP-uitkering (Tijdelijk Ouderdoms Pensioen) vanaf het bereiken van de prepensioenleeftijd tot aan de datum van het ouderdomspensioen (65 jaar), welke TOP-uitkering wordt aangevuld door middel van koopsompolisuitkeringen. Kort gezegd is de regeling bedoeld om de 55-plussers vanaf het ingaan van de regeling tot hun 65e verjaardag een inkomen te garanderen van 80% van hun nettosalaris. Op 4 april 2005 heeft het Pensioenfonds voor de Metalelektro (PME) de ingangsleeftijd van de TOP-regeling met onmiddellijke ingang gewijzigd van 58 naar 60 jaar. Werknemers hebben hiertegen zonder succes geprocedeerd. Vanaf hun 58e jaar hebben de 55-plussers uitkeringen uit de koopsompolis ontvangen. Als gevolg van de verschuiving van de ingangsleeftijd ontvingen zij echter van hun 58e tot 60e jaar geen TOP-uitkering. FCI heeft daarom besloten de 55-plussers ook na hun 58e nog in dienst te houden en zij heeft de koopsomuitkeringen tussen het 58e en 60e jaar aangevuld tot het niveau van 80% van het laatstgenoten salaris. Vanaf hun 60e jaar hebben de 55-plussers méér inkomen ontvangen uit hun TOP-uitkering in combinatie met de uitkering uit de koopsompolis dan waarop zij recht hebben op grond van het sociaal plan. Centrale vraag is of FCI met betrekking tot dit ‘surplus’ een terugvorderingsrecht toekomt.
De kantonrechter oordeelt als volgt. FCI was op grond van het sociaal plan verplicht tot aanvulling van de koopsomuitkering. Dat de aanvullende of beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zou kunnen leiden tot een terugbetalingsverplichting van de 55-plussers met betrekking tot deze door FCI betaalde aanvulling, wordt dan ook verworpen. Van onverschuldigde betaling is evenmin sprake. Wel is sprake van ongerechtvaardigde verrijking door de 55-plussers vanaf 60-jarige leeftijd doordat zij meer ontvangen dan 80% van hun nettosalaris. Er is sprake van een verarming aan de zijde van FCI: zij heeft in 2003 hogere premies voor de koopsompolissen betaald dan nodig is gebleken om het door FCI, de vakbonden en de 55-plussers beoogde doel (een inkomen ter hoogte van 80% van het nettosalaris) te bereiken. Verder is onmiskenbaar sprake van een rechtstreeks verband tussen verrijking en verarming: de verrijking is een direct gevolg van een koopsomuitkering die hoger is dan noodzakelijk voor het beoogde doel en die hogere uitkering houdt direct verband met het feit dat een hogere koopsompremie is gestort. Tot slot is de verrijking aan de zijde van de 55-plussers naar het oordeel van de kantonrechter ongerechtvaardigd: voor die verrijking is geen enkele redelijke grond aanwezig. Nu aan de voorwaarden voor ongerechtvaardigde verrijking is voldaan, zijn de 55-plussers, voor zover dit redelijk is, verplicht de door FCI geleden schade te vergoeden tot het bedrag van de verrijking.