Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/CBS
Gerechtshof Den Haag, 25 september 2012
ECLI:NL:GHSGR:2012:BX8919

werkneemster/CBS

Materiële werkgever aansprakelijk voor val na werktijd op het voorterrein van gehuurd object. Voorterrein kwalificeert in casu als ‘werkplek’. Nog geen sprake van ‘woon-werkverkeer’, zodat werkgever zorgplicht draagt. Dragen van hoge hakken levert geen bewuste roekeloosheid op

Werkneemster is in dienst van Manpower Uitzendorganisatie (onderdeel van Manpower BV). Zij verricht op detacheringsbasis werkzaamheden voor het Centraal Bureau voor de Statiek (CBS). Bij het verlaten van het pand van het CBS is werkneemster ten val gekomen, met ernstig polsletsel tot gevolg. Werkneemster stelde dat zij is gevallen over losliggende kiezelstenen, die deel uitmaken van de bestrating van het CBS-terrein c.q. door in de zogenaamde grintstroken van die bestrating ontstane gaten. Uit hoofde van artikel 7:658 lid 1 jo. 4 BW was CBS verplicht de werkplek zodanig in te richten dat voorkomen zou worden dat werkneemster in de uitoefening van haar werkzaamheden schade lijdt, welke verplichting CBS niet is nagekomen. CBS als bezitter is bovendien aansprakelijk uit hoofde van artikel 6:174 BW in verbinding met artikel 6:181 BW nu het voorterrein niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het voorterrein van het CBS niet kan worden aangemerkt als ‘arbeidsplaats’. Derhalve is de vordering ex artikel 7:658 lid 4 BW afgewezen. Wegens het ontbreken van de functionele band is tevens het beroep op artikel 6:181 BW (risicoaansprakelijkheid voor opstal) afgewezen. Tegen dit oordeel keert werkneemster zich in hoger beroep. Ook in hoger beroep verweert het CBS zich onder verwijzing naar onder meer HR 16 november 2001, LJN AD5483, en 11 november 2011, LJN BR5215, dat het voorterrein niet kwalificeert als werkplek of arbeidsplaats, het ongeval plaatsgevonden heeft na werktijd, tijdens woon-werkverkeer, dat zij bekend was met de situatie ter plaatse en werkneemster buiten het toepassingsbereik van artikel 7:658 BW treedt nu struikelen of uitglijden daar niet onder vallen.

Het hof oordeelt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat personen werkzaam bij CBS, het CBS-gebouw via het voorterrein – dat (te voet) vrij toegankelijk maar geen openbare weg is – binnenkomen en weer verlaten, zo ook werkneemster op 6 april 2010. Daarmee heeft de aanwezigheid van werkneemster op het voorterrein van het CBS-gebouw voldoende functioneel verband met haar werkzaamheden om te kwalificeren als ‘arbeidsplaats’ als bedoeld in HR 12 december 2008, LJN BD3129, r.o. 3.5.4, in HR 30 november 2007, LJN BB6178 als ‘werkomgeving’ aangeduid. Het voorterrein kwalificeert als ‘verbindingsweg’ in de zin van artikel 1.1 lid 1 sub b in verbinding met artikel 3.14 Arbeidsomstandighedenbesluit. Dat de formele zeggenschap over de inrichting van het terrein bij de eigenaar/verhuurder ligt doet aan het voorgaande niet af nu (de facilitaire dienst van) CBS ter zake een onderhoudsplicht heeft c.q het onderhoud ‘regelt’. Daar komt bij dat het i.c. niet zozeer om de (uiteindelijke) zeggenschap gaat als wel om de nakoming van de jegens werkneemster bestaande zorgplicht voor een veilige werkomgeving, gelijk te stellen met de genoemde (onderhouds)werkzaamheden.

Het beroep op het Aruba-arrest (HR 2 maart 2007, LJN AZ5834) faalt eveneens. In deze zaak ging het om een betegelde gangvloer die, door aan het Arubaanse klimaat eigen, (hevige) regenval glad geworden was. Het komt het hof gezien de geschetste situatie ter zitting aldus voor dat het voorterrein vóór de herinrichting in augustus 2011 het risico van valpartijen opleverde, welk risico zich daadwerkelijk gerealiseerd heeft. Door zowel deze situatie te doen voortbestaan tot de herinrichting, als daarvoor niet te waarschuwen is CBS – als feitelijk beheerder van de werkplek – tekortgeschoten in zijn zorgplicht. Het voorterrein voldeed – anders dan de Arubaanse tegelvloer – niet aan de daaraan te stellen eisen.

Het dragen van ‘hoge hakken’ door werkneemster levert in casu geen ‘bewuste roekeloosheid’ op. Volgt vernietiging van het vonnis van de rechtbank.