Rechtspraak
werknemer/Bouwmarkt Beverwijk c.s.
(Verwijzingsarrest van HR 24 december 2010, AR 2010-1008.) Werknemer is op 14 juni 1971 in dienst getreden van de Keur Groep, een exploitant van Gamma bouwmarkten in de regio Haarlem/Beverwijk. Met ingang van 1 januari 1991 is hij benoemd tot statutair bestuurder van Bouwmarkt Haarlem en Bouwmarkt Beverwijk. De aandelen in Bouwmarkt Haarlem zijn eind december 2006 overgedragen aan Bricorama B.V., welke vennootschap (onder meer) in Nederland een aantal bouwmarkten exploiteert. Bouwmarkt Haarlem houdt op haar beurt alle aandelen in Bouwmarkt Beverwijk. Op een bijzondere aandeelhoudersvergadering van 10 juli 2007 is aan werknemer ontslag verleend als statutair bestuurder van de Bouwmarkten. Bij brief d.d. 30 juli 2007 van Bricorama is dit aan werknemer bevestigd en de arbeidsovereenkomst met de Bouwmarkten opgezegd tegen 30 november 2007. De rechtbank had de Bouwmarkten hoofdelijk aansprakelijk geoordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 500.000. In hoger beroep had het hof de XYZ-formule toegepast, hetgeen door de Hoge Raad is vernietigd. Het gaat in dit hoger beroep na verwijzing door de Hoge Raad nog slechts om de vraag welke schadevergoeding werknemer wegens kennelijk onredelijke opzegging van de arbeidsovereenkomst toekomt.
Het hof oordeelt als volgt. De Bouwmarkten hebben (ernstig) verwijtbaar gehandeld door werknemer na een zeer lang dienstverband (ruim 36 jaren) op 54-jarige leeftijd zonder goede grond te ontslaan, waarbij in de aanloop naar het ontslag (zeer) onzorgvuldig is gehandeld door de Bouwmarkten, terwijl de (voorzienbare) materiële en immateriële schade van het ontslag voor werknemer aanzienlijk was. Bij die stand van zaken, waarbij met name de ernst van de verwijtbaarheid aan de kant van de Bouwmarkten van belang is, is er in onderhavig geval reden om de schade van werknemer voor 75% aan de Bouwmarkten toe te rekenen. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat een arbeidsovereenkomst geen ‘levensverzekering’ is, in die zin dat bij het verwijtbaar beëindigen daarvan de schade steeds zou moeten worden berekend aan de hand van de inkomstenderving tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. Indien 75% van het vastgestelde schadebedrag van € 967.587,50 bruto, een bedrag van € 725.690,63 bruto, contant wordt gemaakt per 15 november 2012 (met een rekenrente van 4%, over 12 jaar) resulteert dat in een bedrag van € 453.264,23. Dit bedrag tezamen met de pensioenschade overstijgt het maximaal toe te wijzen bedrag van € 500.000 bruto (het maximale bedrag dat door de rechtbank was toegewezen en waartegen werknemer niet incidenteel heeft geappelleerd zodat een hoger bedrag niet meer kan worden toegewezen), zodat dit laatste bedrag als schadevergoeding wordt toegewezen. Het hof ziet in de door de Bouwmarkten geschetste maatschappelijke ontwikkelingen ten aanzien van de hoogte van ontslagvergoedingen – zoals in de Corporate Governance Code, het wetsvoorstel Aanpassing bestuur en toezicht naamloze en besloten vennootschappen, en de in het coalitieakkoord (oud) opgenomen norm voor de publieke en semipublieke sector maximale ontslagvergoeding van één jaarsalaris – geen reden om anders te oordelen. De genoemde regelingen vormen geen recht, terwijl de specifieke feitelijke omstandigheden van onderhavig geval van zodanige aard en gewicht zijn dat deze de toegewezen schadevergoeding rechtvaardigen.