Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Zorggroep Charim/werkneemster
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 maart 2013
ECLI:NL:GHARL:2013:BZ5450

Stichting Zorggroep Charim/werkneemster

Uitleg salarisgarantie ex artikel 3.2.2 Verpleeg- en Verzorgingshuizen bij deeltijdarbeid. Werkgever dient uurloon oude functie te betalen en kan niet volstaan met een hoger eindsalaris wat een relatief lager uurloon betekent. Cao middels incorporatiebeding ook middels cao-norm uitleggen

Werkneemster is op 21 maart 2000 bij (de rechtsvoorgangster van) Charim in dienst getreden. In de periode vanaf juni 2006 was zij bij Charim werkzaam op basis van een deeltijdfactor van 44,44% als helpende gedurende 16 uur per week. Het laatstgenoten salaris van werkneemster in die functie bedroeg overeenkomstig de salarisschaal van functiegroep 25, de functionele schaal 25, trede 3, € 768,67 bruto per maand, exclusief overuren en overige emolumenten, hetgeen bij een deeltijdfactor van 100% (zijnde 36 uur per week) neerkwam op € 1.729,67 bruto per maand, exclusief overuren en overige emolumenten. In de periode van 1 september 2008 tot 1 juli 2010 heeft werkneemster de opleiding Verzorgende Individuele Gezondheidszorg gevolgd. In het kader van dit opleidingstraject is haar deeltijdfactor van 44,44% naar 80% per week uitgebreid. Charim heeft in de maanden oktober 2008 tot 1 juli 2010, overeenkomstig (leerling)salarisschaal 0552, aan werkneemster voldaan een salaris van € 1.029,82 bruto per maand, exclusief overuren en overige emolumenten, hetgeen bij een deeltijdfactor van 100% (zijnde 36 uur per week) neer zou zijn gekomen op € 1.287,27 bruto per maand. Werkneemster stelt zich op het standpunt dat deze inschaling in strijd is met artikel 3.2.2 van de cao VVT. Charim stelt zich op het standpunt dat de loongarantie in de cao ziet op het absolute loon dat werkneemster ontvangt en niet het relatieve loon. Nu zij in absolute zin meer loon ontvangt, wordt de cao niet geschonden. De CGB heeft geoordeeld dat Charim verboden onderscheid op grond van arbeidsduur maakt.

Het hof oordeelt als volgt. Het hof stelt voorop dat artikel 3.2.2 van de cao via het incorporatiebeding in de arbeidsovereenkomst toepassing vindt. De bedoeling van de oorspronkelijk contracterende cao-partijen is voor partijen niet kenbaar geweest en partijen hebben op de formulering van het artikel geen (directe) invloed gehad. Bij arrest van 20 februari 2004, LJN AO1427, heeft de Hoge Raad bepaald dat in een zodanig geval toepassing van de cao-norm aangewezen is. De in het kader van de Haviltex-maatstaf aangevoerde stelling van Charim dat werkneemster zich bij de uitleg van Charim van artikel 3.2.2 lid 1 cao heeft neergelegd, behoeft geen bespreking. Naar het oordeel van het hof wijst de in het artikel 3.2.2 lid 1 van de cao opgenomen term ‘behoudt’ erop dat de werknemer, overeenkomstig de uitleg van werkneemster, gedurende zijn opleidingsperiode recht heeft op het salaris dat hij voorafgaand aan de opleiding op basis het functiewaarderingssysteem ontving. Nu het salaris in dit systeem aan de hand van een met de functiegroep van de werknemer corresponderende salarisschaal wordt vastgesteld, kwalificeert ook de in artikel 3.2.2 lid 1 van de cao opgenomen zinsnede ‘salarisschaal van de laatstelijk uitgeoefende functie’ als een objectieve aanwijzing in de richting van die uitleg. De arbeidsduur van de werknemer speelt bij de vaststelling van het salaris geen rol. Indien de werkgever en werknemer een van de voltijd arbeidsduur afwijkende afspraak hebben gemaakt, wordt het op basis van hoofdstuk 3 van de cao vastgestelde salaris van 36 uur per week naar rato bijgesteld. De aannemelijkheid van het rechtsgevolg, waartoe de tekstinterpretatie van artikel 3.2.2 lid 1 van de cao van Charim leidt, biedt naar het oordeel van het hof evenmin steun voor de opvatting van Charim. Indien de uitleg van Charim wordt gevolgd, ontvangt een leerling als werkneemster, die voorafgaand aan de opleiding tegen een hoger uursalaris gedurende minder uren bij Charim in dienst was, tijdens zijn opleidingsperiode een lager uursalaris, dan hij daarvoor als werknemer ontving. De leerling moet meer uren per week gaan werken (in het geval van werkneemster gemiddeld 28,8 uur per week in plaats van 16 uur per week), terwijl zijn salaris nominaal onveranderd blijft. Dit maakt het volgen van de opleiding voor deze leerling niet aantrekkelijk. Tegen de achtergrond dat niet in geschil is dat met artikel 3.2.2 lid 1 van de cao is beoogd werknemers te stimuleren de opleiding te gaan volgen, ligt de uitleg van Charim niet voor de hand.