Naar boven ↑

Rechtspraak

China Shop B.V. en X/Mobiel Sport- en Institutionele Reklame
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 april 2013
ECLI:NL:GHARL:2013:BZ7847

China Shop B.V. en X/Mobiel Sport- en Institutionele Reklame

Toewijzing gefixeerde schadevergoeding bij beëindiging agentuurovereenkomst/arbeidsovereenkomst laat onverlet dat principaal/werkgever (volledige) schadevergoeding wegens wanprestatie kan vorderen. Geen sprake van ongeoorloofde cumulatie

X heeft op basis van een agentuurovereenkomst werkzaamheden verricht voor Mobiel. Mobiel heeft bij brief van 28 september 2005 de overeenkomst met X met onmiddellijke ingang opgezegd wegens het verstrekken van ‘veelvuldig verkeerde en misleidende informatie’ aan haar bij de verkoop van voertuigen, waardoor Mobiel schade heeft geleden. X vordert loon en Mobiel vordert (gefixeerde) schadevergoeding. De kantonrechter heeft de vorderingen van X afgewezen.

Het hof oordeelt als volgt. Voor de aanspraak op gefixeerde schadevergoeding maakt in dit geval overigens niet uit of de overeenkomst tussen Mobiel en X gekwalificeerd moet worden als agentuur dan wel als een arbeidsovereenkomst. In beide gevallen is X schadeplichtig, nu hem van de dringende reden een verwijt te maken valt en hem dus schuld treft (vgl. artikel 7:439 lid 3 en artikel 7:677 lid 3 BW). In beide gevallen is de omvang van de schadeplicht bepaald op het loon over de niet in acht genomen opzegtermijn van, in dit geval, drie maanden. Voor de omvang van de matigingsbevoegdheid die de rechter heeft maakt de kwalificatie wel verschil [red.: artikel 7:441 lid 2 spreekt van ‘matiging indien het bedrag de rechter te hoog voorkomt’, terwijl artikel 7:680 lid 5 BW bepaalt dat sprake moet zijn van ‘bovenmatig voorkomen’]. Het hof ziet evenwel geen aanleiding voor het gebruikmaken van die bevoegdheid. Nu ook X uitgaat van een gemiddelde provisie van € 7.766,58 per maand is het iets lagere bedrag van € 23.298 in beginsel toewijsbaar. Volgens X kan naast gefixeerde schadevergoeding niet ook vergoeding van werkelijke schade worden toegewezen. Daarbij verwijst hij naar een uitspraak van de Hoge Raad, gepubliceerd in NJ 1979, 611. Naar het oordeel van het hof miskent X dat het in die zaak uitsluitend ging om schadevergoeding ter zake van de beëindiging van de agentuurovereenkomst (die zowel abstract, door middel van de gefixeerde schadevergoeding, als concreet door berekening van de werkelijke schade, maar niet gecumuleerd) bepaald mag worden. In dit geval gaat het om gefixeerde schadevergoeding wegens de voortijdige beëindiging als gevolg van het (verwijtbaar) geven van een dringende reden, en daarnaast om vergoeding van schade, berokkend in het kader van de werkzaamheden. Dat is niet dezelfde schade, zodat er geen beletsel is voor toewijzing van beide posten.