Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 17 september 2015
ECLI:NL:RBNNE:2015:5019
Blokker B.V./werkneemster
Werkneemster is sinds 1999 in dienst van Blokker. Laatstelijk is zij werkzaam in de functie verkoopmedewerkster. Blokker stelt dat zij, om bedrijfseconomische redenen, genoodzaakt is tot het doorvoeren van een ingrijpende reorganisatie. Als gevolg daarvan zijn 396 medewerkers boventallig verklaard, waaronder werkneemster. Er is een sociaal plan opgesteld. Reeds vooruitlopend op de beslissing van het UWV heeft Blokker op 29 juni 2015 om ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht (art. 7:685 (oud) BW). Het UWV heeft bij beslissing van 29 juli 2015 toestemming geweigerd om werkneemster te mogen ontslaan omdat het afspiegelingsbeginsel door Blokker op onjuiste wijze zou zijn toegepast.
De kantonrechter constateert dat uit de overgelegde stukken blijkt dat er in de vestiging Zuidhorn vier verkoopmedewerkers, waaronder werkneemster, werkzaam zijn met in totaal 71,98 contracturen. Blijkens de - niet betwiste - berekening van Blokker bestaat de ideaal renderende bezetting aan verkoopmedewerkers voor de vestiging Zuidhorn uit 36 contracturen, zodat in deze functiegroep het aantal contracturen met 35,98 uren dient te worden verminderd. Blokker heeft erkend dat werkneemster door een misverstand bij de afspiegelingberekening aanvankelijk in de verkeerde leeftijdsgroep is geplaatst, waardoor zij binnen die leeftijdsgroep als de werknemer met het kortste dienstverband had te gelden en daarom als boventallig is aangemerkt. Toen de verkeerde indeling bleek, heeft Blokker - zo begrijpt de kantonrechter - een herberekening gemaakt, maar haar standpunt gehandhaafd dat werkneemster niettemin boventallig was. Blokker stelt daarbij dat werkneemster bij een juiste indeling en afspiegelingsberekening, weliswaar niet als eerste (en enige) voor ontslag in aanmerking zou zijn gekomen, maar sowieso als derde, aangezien de voor haar in de ontslagvolgorde boventallige verkoopmedewerkers slechts een dienstverband hebben met respectievelijk 13,83 en 13,05 contracturen, zodat - om de norm van 36 uren te halen - nog een vermindering van 9,1 uren zou moeten worden gerealiseerd. Nu er geen deeltijdontslagen kunnen worden verleend, is daarmee ook de volledige positie van werkneemster boventallig, aldus Blokker. Volgens Blokker is werkneemster door deze fout dus niet benadeeld.
De kantonrechter volgt Blokker niet in deze laatste conclusie. Door Blokker is aangevoerd dat zij met de ondernemingsraad heeft afgesproken dat, ‘indien er fouten zouden worden gemaakt met de afspiegeling, geen van de medewerkers daar nadeel van zou mogen ondervinden’. Om die reden heeft Blokker de twee collega’s, die na de herberekening vóór werkneemster voor ontslag in aanmerking zouden moeten komen (‘de nummers 1 en 2’), niet alsnog boventallig verklaard. Deze toezegging aan de ondernemingsraad gaat echter ook op voor werkneemster. Aan Blokker zij toegegeven dat de normbezetting met het ontslag van ‘de nummers 1 en 2’ niet zou zijn behaald, omdat dan nog een restant van negen boventallige uren zou overblijven, en dat daarom - in letterlijke zin - ook het ontslag van ‘nummer 3’ - werkneemster - nodig zou zijn om de normbezetting te halen. De kantonrechter acht het evenwel hoogst onaannemelijk dat Blokker drie van haar vier verkoopmedewerkers boventallig zou hebben verklaard, waarmee in de vestiging Zuidhorn slechts één verkoopmedewerker zou overblijven met een dienstverband van slechts dertien contracturen, vér onder de normbezetting van 36 contracturen. Daar komt bij dat het aantal van negen resterende contracturen boven de normbezetting slechts één uur verschilt met de marge die met de ondernemingsraad als toelaatbaar is overeengekomen. Het voorgaande leidt ertoe dat bij een - van aanvang af - juiste toepassing van het afspiegelingsbeginsel werkneemster vrijwel zeker niet boventallig zou zijn verklaard. Volgt afwijzing van het ontbindingsverzoek.