Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 18 december 2015
ECLI:NL:RBAMS:2015:9437
Myhypotheek B.V./werknemer
Werknemer is in dienst van Myhypotheek. Aan de oprichting van Myhopotheek ligt een participatieovereenkomst ten grondslag, die onder meer gesloten is door A, werknemer en zijn broer. In het voorjaar van 2015 is een conflict ontstaan. Op 17 juni 2015 is werknemer op staande voet ontslagen. Hij heeft de nietigheid van het ontslag ingeroepen. Myhypotheek verzoekt voorwaardelijke ontbinding op grond van artikel 7:671b BW jo. artikel 7:669 lid 3 onderdeel e en h en artikel 7:685 (oud) BW. Daaraan wordt het volgende ten grondslag gelegd: de weigering van werknemer de inlogcodes te verstrekken, de eis van werknemer voor een financiële regeling onder dreiging privégegevens van A openbaar te maken, het meenemen van de administratie van Myhypotheek, de (zonder enige aankondiging of voorafgaand overleg) registratie van de domeinnaam Myhypotheek.nl op zijn eigen naam en registratie van persoonsnamen van collega’s als zijn eigendom. Het verweer van werknemer strekt primair tot afwijzing van het verzoek. Bij vonnis van 5 oktober 2015 heeft de kantonrechter in een artikel 96 Rv-procedure beslist dat in het belang van beide partijen voor de duur van de procedures, de domeinnaam Myhypotheek.nl op naam van Myhypotheek moest worden gezet.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Voorafgaand aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil dient beoordeeld te worden of de WWZ of - kort gezegd - de voor 1 juli 2015 geldende wettelijke regeling van toepassing is. Het ontbindingsverzoek en de nevenvorderingen hebben betrekking op het ontslag op staande voet van 17 juni 2015 (art. XXII lid 1 onderdeel b Overgangsrecht). Dat impliceert dat in deze procedure slechts aan de orde is de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen - onder het voorbehoud dat deze thans nog bestaat - ontbonden dient te worden. De overige (neven)vorderingen zullen (mede onder verwijzing naar art. 69 lid 2 Rv) los van deze procedure verder worden behandeld en beoordeeld. De arbeidsovereenkomst wordt wegens een verstoorde arbeidsrelatie ontbonden tegen 1 februari 2016. Daarbij wordt geoordeeld dat werknemer geen vergoeding toekomt. Indien het ontslag op staande voet in rechte geen stand houdt, zal werknemer - in beginsel - tot de ontbindingsdatum recht krijgen op salaris, zonder dat hij daar werkzaamheden tegenover heeft hoeven te stellen. Gelet op de duur van het dienstverband en de leeftijd van werknemer, alsmede alle overige feiten en omstandigheden, ligt een (verdere) vergoeding niet in de rede. Omtrent de nevenvorderingen heeft de kantonrechter besloten dat deze procedure zal worden voortgezet als rolprocedure (in conventie en reconventie) overeenkomstig het bepaalde in artikel 69 Rv (spoorwissel) en als lopende zaak wordt verwezen voor wijziging van eis aan de zijde van werknemer, nu deze daarom heeft verzocht. Over de vordering in het inleidend verzoekschrift en de tegenvordering in het verweerschrift kan in die procedure middels een re- en dupliek (in conventie en reconventie) worden voortgeprocedeerd. Dat impliceert dat de uitspraak in de artikel 96 Rv-procedure vooralsnog blijft gelden.