Naar boven ↑

Rechtspraak

Federatie Nederlandse Vakbeweging/de Gemeenschappelijke Regeling Zeeland Seaports, Zeeland Seaports N.V. en Nederlandse Bootlieden Vereniging
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 8 maart 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:864

Federatie Nederlandse Vakbeweging/de Gemeenschappelijke Regeling Zeeland Seaports, Zeeland Seaports N.V. en Nederlandse Bootlieden Vereniging

Inschakelen van derde bootlieden door Havenmeester om veilige en vlotte verkeersafwikkeling in de haven te garanderen tijdens staking bij bootliedenwachtbedrijf in de Vlissingse haven leidt tot schending van artikel 10 WAADI (onderkruipersverbod). Schadevergoeding € 15.000.

Tussen de FNV en de Vlissingse Bootliedenwacht (hierna: VLB) is in december 2010 een conflict ontstaan met betrekking tot een af te sluiten cao. De VLB is vergunninghouder voor het behulpzaam zijn bij het aan- en afmeren van schepen in de Vlissingse haven en heeft daartoe ongeveer 30 werknemers in dienst. Deze vergunning is verleend door Zeeland Seaports (hierna: ZSP). Van die werknemers van VLB vielen er tussen de 20 en de 25 onder de werking van de cao, afgesloten met de FNV. Omdat de onderhandelingen over een nieuwe cao niet tot resultaat hebben geleid, heeft de FNV op 13 december 2010 acties en werkonderbrekingen aangekondigd. Van 18 december 2010 t/m 27 december 2010 was sprake van een staking. Een deel van de werknemers (ongeveer de helft) heeft het werk neergelegd; de andere helft heeft doorgewerkt. Vanwege deze staking heeft de Havenmeester van ZSP een beroep gedaan op de Nederlandse Bootlieden Vereniging (hierna: NBV) om VLB te hulp te schieten. Tijdens de staking zijn er bootlieden behulpzaam geweest bij het aan- en afmeren van schepen. De FNV heeft ZSP en NBV aangesproken uit onrechtmatige daad, namelijk handelen in strijd met artikel 10 van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi), althans in strijd met de zorgvuldigheid die het maatschappelijk verkeer betaamt, hierin bestaande dat zij arbeidskrachten (bootlieden) hebben ingezet bij de bestaakte werkgever. De procedure strekt tot vergoeding van de schade die de FNV stelt te hebben geleden. ZSP stelt dat de door haar (haar havenmeester) ingeschakelde bootlieden niet bij VLB hebben gewerkt maar in opdracht en voor rekening van ZSP in de haven werkzaamheden hebben verricht.

Het hof oordeelt als volgt. Voor de toepasselijkheid van artikel 10 Waadi is de rechtsverhouding tussen degene die arbeidskrachten ter beschikking stelt (ZSP als vergunningverlener) en de bestaakte werkgever (VLB) in beginsel niet bepalend. Het gaat om de vraag of arbeidskrachten ter beschikking zijn gesteld aan het bestaakte bedrijf (door dat bedrijf zijn ‘ingehuurd’), althans dat daarbij is bemiddeld, en het antwoord op die vraag kan niet reeds worden afgeleid uit die rechtsverhouding. Dat ZSP geen uitzendbureau of anderszins intermediair in arbeidskrachten is, is niet relevant (Kamerstukken II 1996/97, 25264, 3, p. 17). Ook als zij dat niet is, dient zij het verbod van artikel 10 Waadi na te leven. Met een en ander is nog niet gezegd dat ZSP en/of NBV arbeidskrachten ter beschikking hebben gesteld aan VLB. De toepasselijkheid van artikel 10 Waadi spitst zich toe op de vraag of de door ZSP en/of NBV ingeschakelde arbeidskrachten ter beschikking van VLB zijn gesteld. Voor het aannemen van de terbeschikkingstelling door ZSP is niet voldoende de omstandigheid dat de door ZSP ingeschakelde bootlieden hetzelfde werk deden dat ingevolge de vergunningverlening aan VLB was gegund/opgedragen en ZSP zich aldus mengde in het arbeidsconflict tussen VLB en de FNV. Vereist is immers dat die bootlieden het werk deden in het bedrijf van VLB. FNV stelt dat de opdrachten die tijdens de staking door VLB zijn uitgevoerd door VLB zelf zijn uitgevoerd met behulp van door ZSP aangeboden bootlieden. Zij boden hulp bij de afhandeling van het scheepvaartverkeer. Daarbij werd gebruik gemaakt van de bedrijfsmiddelen van de VLB bestaande uit boten, veiligheidsvesten en portofoons. Naar het oordeel van het hof staat hiermee (op grond van de vaststaande feiten) vast dat de door ZSP aangetrokken bootlieden werkzaamheden hebben uitgevoerd in de onderneming van VLB. Immers, aangenomen moet worden dat zij behulpzaam zijn geweest bij het werk van de niet-stakende werknemers van VLB. Het is dan ook niet zo dat de door ZSP aangetrokken bootlieden zelfstandig, buiten de onderneming van VLB om, werkzaamheden hebben verricht. Het hof merkt hierbij op dat aan het vereiste van toezicht en leiding niet al te zware eisen kunnen worden gesteld. Het gaat immers, zo ook hier, om kortdurende inhuur, door arbeidskrachten die zelfstandig kunnen werken. Voor voldoening aan dit vereiste is dan ook voldoende dat zij ‘onder de vlag’ van de bestaakte werkgever (VLB) hebben gewerkt. Daarmee is voldaan aan het vereiste van in dat bedrijf of die onderneming (art. 10 Waadi). Vast staat dat de door ZSP aangetrokken bootlieden zijn betaald voor het werk. Naar het oordeel van het hof zou aan de strekking van artikel 10 Waadi op onaanvaardbare wijze afbreuk worden gedaan als de toepasselijkheid van die bepaling afhankelijk zou zijn van de vraag of is betaald en zo ja, wie de bootlieden of degene die de arbeidskrachten ter beschikking heeft gesteld, heeft betaald. Wat hier ook van zij, de wetgever heeft de toepasselijkheid niet willen koppelen aan de vraag of en door wie aan wie een vergoeding is betaald. In artikel 85 van de Arbeidsvoorzieningenwet wordt die (vergoedingen)eis niet gesteld. Uit de parlementaire geschiedenis van de Waadi blijkt dat de wetgever het onderkruipersverbod handhaaft, zonder dat een beperking wordt aangebracht. Aangenomen moet worden dat artikel 10 Waadi dan ook niet afhankelijk is van een vergoedingeneis. In de beginwoorden van artikel 10 van de Waadi ligt kennelijk niet een verwijzing naar de begripsbepaling van de Waadi besloten. De Waadi-wetgever heeft aldus de aard en de omvang van het onderkruipersverbod niet willen beperken door het vergoedingenelement in te voeren met de woorden ‘degene die arbeidskrachten ter beschikking stelt’. ZSP voert aan dat het de Havenmeester niet was te doen om de staking te breken of te bemoeilijken. Het was hem enkel te doen om een veilige en vlotte verkeersafwikkeling, ter voorkoming van nautisch gevaar en het voorkomen van schade voor ZSP. Wat er ook van de bedoelingen van de Havenmeester zij, zijn intentie is niet een factor van belang. Ook bij goede bedoelingen had hij zich te onthouden van inmenging in de staking en van het doen uitvoeren van besmet werk. Het eigen (financiële) belang van ZSP is stellig geen grond voor inbreuk op artikel 10 Waadi. Overigens wordt de mogelijke schade niet onderbouwd.

Als schade wordt (enkel) immateriële schade (gezichtsverlies) ad € 15.000 toegewezen.