Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 1 juni 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:4136
NN Insurance Personeel B.V./werkneemster
Werkneemster is per 1 oktober 2011 in dienst getreden bij (een rechtsvoorganger van) NN in de functie van Medewerker Financial Accounting D. NN verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Primair stelt NN dat sprake is van disfunctioneren (art. 7:669 lid 3 onderdeel d BW). Het volgen en afronden van een opleiding op HBO-niveau is wat NN betreft–- mede vanwege het disfunctioneren – noodzakelijk voor de uitoefening van de functie van werkneemster. Van een voortzetting in deze functie kan dan ook geen sprake meer zijn, nu werkneemster de voor de uitoefening van haar functie benodigde studie heeft beëindigd. Na een periode van ruim zes maanden heeft de herplaatsing van werkneemster, mede vanwege het feit dat NN een krimpende organisatie is, niet tot het gewenste resultaat geleid. Subsidiair beroept NN zich op artikel 7:669 lid 3 onderdeel h BW en voert daartoe aan dat werkneemster is gestopt met de voor de uitoefening van haar functie benodigde opleiding. Het verweer van werkneemster strekt primair tot afwijzing van het verzoek.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het standpunt van werkneemster dat het voor haar pas in september 2015 duidelijk is geworden dat NN zodanige kritiek op haar functioneren heeft, dat zij zich zorgen moet maken over het behoud van haar dienstverband wordt niet gevolgd. Uit het beoordelingsverslag over het kalenderjaar 2013 blijkt dat werkneemster er reeds toen op is gewezen dat zij cruciale bedrijfseconomische/boekhoudkundige kennis mist en dat het volgen/afronden van een economische HBO-opleiding vanuit SCF gezien een must is. Juist omdat het grote belang van het volgen van de HBO-opleiding voor de voortgang van het dienstverband van werkneemster voor haar duidelijk was, althans had moeten zijn, had het op de weg van werkneemster gelegen om een actievere rol met betrekking tot (begeleiding bij) haar opleiding aan te nemen. NN kan niet worden verweten dat zij in dit kader onvoldoende zorg heeft betracht. Werkneemster heeft nog aangevoerd dat zij er niet zelf voor heeft gekozen de HBO-opleiding te beëindigen, maar dat het NTI de opleiding heeft beëindigd omdat er te weinig aanmeldingen waren om de opleiding klassikaal aan te bieden. Het had op de weg van werkneemster gelegen om in overleg met NN te treden over mogelijke oplossingen en niet op eigen initiatief en zonder samenspraak de opleiding te beëindigen. Doordat werkneemster dit heeft nagelaten, is het (voortijdige) einde van de opleiding haar aan te rekenen. Er is voldaan aan de vereisten van artikel 7:669 lid 3 onderdeel d BW.
Ten aanzien van de herplaatsing wordt het volgende overwogen. Vooropgesteld wordt dat NN een grote organisatie is, met naar eigen zeggen 11.500 werknemers in dienst. Het enkel wijzen op openstaande vacatures (die er kennelijk, ondanks de krimpende organisatie wel zijn) in combinatie met het aanbieden van hulp bij het solliciteren, is gelet op de omvang van de organisatie van NN niet voldoende om aan voornoemde inspanningsverplichting te voldoen. Niet is gebleken dat NN een actievere inbreng heeft gehad in het herplaatsingstraject en zélf onderzoek heeft gedaan naar herplaatsingsmogelijkheden, terwijl NN aangeeft dat werkneemster in een andere rol wél goed tot haar recht zou kunnen komen. Van NN mocht worden verwacht dat zij een meer initiërende rol zou aannemen, met name toen bleek dat werkneemster in veel gevallen niet eens voor een sollicitatiegesprek voor een interne functie werd uitgenodigd. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat herplaatsing van werkneemster in een andere passende functie binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, niet mogelijk is. Het enkele feit dat de door NN aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot ontbinding op de zogenoemde d-grond hebben kunnen leiden, in dit geval omdat onvoldoende aan de herplaatsingsverplichting is voldaan, heeft niet tot gevolg dat vervolgens sprake is van de in artikel 7:669 lid 3 onderdeel h BW bedoelde situatie. NN heeft geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd die zelfstandig tot de conclusie kunnen leiden dat er overigens sprake is van omstandigheden die zodanig zijn dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Volgt afwijzing van het ontbindingsverzoek.