Rechtspraak
X/Y
Y is een fashion- en lifestylelabel. X werkt zowel op uurbasis tegen een vast tarief, als op basis van facturatie. Het percentage waarin zij aan de ene kant op uurbasis werkte en aan de andere kant op facturatie varieert. Op 19 september 2014 heeft X aan Y meegedeeld dat zij, uiteindelijk per 1 oktober 2014, met haar functie wilde stoppen vanwege het verkrijgen van een andere functie. De overeenkomst is door volbrenging geëindigd. Kern van het geschil is of sprake is (geweest) van een overeenkomst van opdracht (standpunt van X) of van een agentuurovereenkomst (standpunt van Y).
De kantonrechter oordeelt als volgt. Voldoende is komen vast te staan dat X voor ongeveer 60% werkte tegen een uurloon en voor ongeveer 40% arbeid verrichtte voor retailers. De hierboven vastgestelde variatie (uurtarief en orderbetaling) in de tussen partijen gesloten overeenkomst ter zake van de verrichting van werkzaamheden door X voor Y vindt plaats buiten een arbeidsovereenkomst ex artikel 7:610 BW en stuit op onduidelijkheden die van belang zijn voor de in de door de kantonrechter te nemen beslissing wat voor soort overeenkomst tussen partijen bestaat. Daartoe dient te worden teruggegrepen op een oud adagium, dat thans niet meer voorkomt in het brede arbeidsrecht maar vroeger wel in de wet (art. 7A:1637c lid 1 BW) stond, dat bij aarzeling over de vraag of sprake is van een overeenkomst van aanneming of van verrichting van diensten dan wel van arbeid in het kader van een arbeidsovereenkomst, de voorkeur, bij strijd tussen de beide soorten, uit moet gaan naar het bestaan van een arbeidsovereenkomst, vanuit de gedachte dat de werker bij te open normen of ongeregelde arbeid moet worden beschermd tegen degene die werk verschaft. Een en ander dient ook te gelden bij strijd tussen de overeenkomst van opdracht en de overeenkomst van agentuur of de overeenkomst van bemiddeling. De strijd(igheid) in de onderhavige kwestie tussen de overeenkomst van opdracht (ter zake van de met een uurtarief betaalde werkzaamheden) en de werkzaamheden die naar aanleiding van behaalde orders werd betaald, bestaat eruit dat Y zich op het standpunt stelt dat er sprake is van een overeenkomst van agentuur, zonder onderscheid te maken tussen de overeenkomst van opdracht en de andere werkzaamheden die volgens Y als agentuur moeten worden gekwalificeerd. Omdat de twee overeenkomsten binnen een overeenkomst niet kunnen worden gescheiden in die zin dat geen duidelijk onderscheid kan worden aangebracht tussen de overeenkomst van opdracht en de andere verder nog niet gekwalificeerde overeenkomst, moet naar het oordeel van de kantonrechter een oordeel worden gegeven over wat overheerst. Uitgangspunt daarbij is het te grote voordeel voor de werkgever ten opzichte van het nadeel voor de werknemer bij de keuze voor een bepaalde vorm. Nu Y zich op het standpunt stelt dat sprake is van een agentuurovereenkomst en bijgevolg, omdat deze niet schriftelijk is vastgelegd, ingevolge het bepaalde in artikel 7:437 lid 1 tweede volzin BW een opzegtermijn voor de agent bestaat van vier maanden, terwijl bij de overeenkomst van opdracht zo’n lange opzegtermijn in beginsel, op grond van het bepaalde in artikel 7:408 BW, niet in acht behoeft te worden genomen, zal moeten worden geoordeeld dat sprake is van een overeenkomst van opdracht voor de hele tussen partijen bestaand hebbende arbeidsrelatie. Bijgevolg komt de kantonrechter niet meer toe aan de vraag of sprake is van een agentuurovereenkomst voor het andere deel van wat partijen met elkaar hebben afgesproken en dat kennelijk onbetwist een overeenkomst van opdracht betreft voor een uurtarief. De stelling van Y dat X schade heeft veroorzaakt doordat zij haar werk niet goed heeft uitgevoerd, kan gezien het voorgaande niet worden gevolgd. Immers, in de relatie tussen partijen is allereerst van toepassing het bepaalde in artikel 7:402 en volgende BW. Wanneer de opdrachtnemer niet bereid is de opdracht volgens de hem/haar gegeven aanwijzingen uit te voeren en de opdrachtgever hem/haar niettemin aan die aanwijzingen houdt, kan de opdrachtnemer de overeenkomst opzeggen wegens gewichtige redenen. Dat is hier niet gebeurd. Voor zover Y zich op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een onrechtmatige daad van de zijde van X, is er geen reden dit leerstuk te ontwikkelen naast de wanprestatie.