Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 22 november 2016
ECLI:NL:RBNHO:2016:9582
eisers c.s./Oilily World B.V.
Feiten
Oilily is een familiebedrijf dat in 1963 is opgericht door vader en moeder. Vader en moeder hebben in 2003 het bedrijf Oilily verkocht aan de ABN Amro Bank en een investeringsmaatschappij. Enige tijd na de verkoop van het bedrijf is Oilily failliet gegaan. Oilily World heeft in 2009 het merkrecht Oilily uit de failliete boedel teruggekocht. De aandelen van Oilily World werden verdeeld onder vader en de kinderen. Vader kreeg via zijn besloten vennootschap Cakewalk B.V. (hierna: Cakewalk) vijf preferente serie B-aandelen. De kinderen kregen via hun houdstermaatschappij ieder tien serie A-aandelen. Kind 1 en kind 2 kregen zitting in het managementteam van Oilily World en kind 3 werd algemeen directeur. In 2013 is besloten om een externe directeur aan te trekken, in de persoon van X. Vanaf 2013 kreeg Oilily World met verliezen te kampen. In de periode van 21 januari 2016 tot 5 juli 2016 heeft Cakewalk een extra financiering verstrekt van 1,3 miljoen. Op 26 augustus 2016 heeft een aandeelhoudersvergadering plaatsgevonden. Bij deze vergadering waren vader, kind 2 en X aanwezig. Tijdens deze vergadering is besproken dat Oilily World in 2016 ook op een verlies afstevent. Vader heeft medegedeeld dat hij niet langer aan verliesfinanciering wil doen en heeft aangedrongen op een saneringsplan. Op 21 september 2016 heeft Oilily World een viertal ontslagaanvragen bij UWV ingediend, waaronder een aanvraag voor het ontslag van kind 1 en kind 2. X heeft hen hier op 22 september 2016 over ingelicht. Bij e-mail van 22 september 2016 om 14:50 uur heeft X kind 1 een waarschuwing gegeven naar aanleiding van haar gedragingen nadat zij over haar ontslagaanvraag was geïnformeerd. Mondeling en bij e-mail van 22 september 2016 om 16:35 uur heeft X kind 1 vervolgens gedurende de UWV-procedure op non-actief gesteld. De kinderen vorderen kort en wel Oillily World te veroordelen om kind 1 in staat te stellen haar gebruikelijke werkzaamheden als Proces Manager op de gebruikelijke wijze te hervatten en Oilily World direct na betekening van dit vonnis te verbieden om uitvoering te geven aan het besluit of voorgenomen besluit tot verkoop van de Oilily-merkrechten. Oilily World voert verweer.
Beoordeling
Vast staat dat X kind 1 op 22 september 2016 heeft aangesproken op haar gedrag en heeft gewaarschuwd voor verdergaande maatregelen indien zij zich niet professioneel zou opstellen. Niet weersproken is dat kind 1 en kind 2 nog diezelfde middag het kantoor van X hebben bezet. In tegenstelling tot kind 2 weigerde kind 1 om de kamer te verlaten. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat zij daarmee de grens van het aanvaardbare heeft overschreden, hetgeen de beslissing om haar op non-actief te zetten op dat moment rechtvaardigde. Niettegenstaande het feit dat het geschil een bijzondere achtergrond kent en dat de schorsing lang genoeg heeft geduurd om de gemoederen tot bedaren te brengen, acht de voorzieningenrechter geen gronden aanwezig om Oilily World te veroordelen om kind 1 haar werkzaamheden te laten voortzetten. Daarvoor is allereerst redengevend de inhoud van de e-mail van kind 1 van 22 september 2016 om 16:01 uur. Die mail bevat een lawine van verwijten en beschuldigingen aan het adres van X . Op grond van deze mail kan het niet anders dan dat iedere basis voor hernieuwde samenwerking ontbreekt. Met betrekking tot de voorgenomen verkoop van de Oilily-merkrechten, voeren de kinderen als grondslag voor de vordering aan dat X, als directeur van Oilily World, met zijn medewerking aan de voorgenomen verkoop van de Oilily-merkrechten handelt in strijd met artikel 2:8 BW. Voorkomen moet worden dat Oilily World na verkoop van de Oilily-merkrechten geen recht meer heeft op licentievergoedingen. Het feit dat de terugkoop van de Oilily-merkrechten vanuit het faillissement voor meer dan 90% door Cakewalk werd gefinancierd en Cakewalk ook daarna financiering heeft verstrekt teneinde Oilily World te laten groeien en, later, de verliezen te financieren, brengt mee dat niet kan worden gezegd dat de verkoop van merkrechten een zodanige aantasting van te respecteren belangen van minderheidsaandeelhouders vormt dat het om die reden niet door de beugel zou kunnen. Voorts lopen de belangen van Cakewalk en Oilily World parallel nu Cakewalk de Oilily-merkrechten te gelde zal willen maken en Oilily World het voortgezet gebruik daarvan zal willen veiligstellen. Een verbod om hieraan uitvoering te geven is derhalve niet toewijsbaar. De kinderen stellen verder dat de verkoop van de aandelen aan Cakewalk heeft geleid tot het verdwijnen van het aandelenbezit van Sweet Beheer en tot verwatering van het aandelenbezit van Bullet Beheer, hetgeen door vader niet is verhinderd en waardoor eveneens is gehandeld in strijd met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW. De voorzieningenrechter stelt vast dat de kinderen niet hebben betwist dat de transactie waartegen zij zich keren, is ingegeven door de bedoeling om de vermogenspositie van Oilily World te verbeteren en haar veel te hoge schuldenpositie te saneren. Daar komt nog bij dat Oilily World ter zake niet kan worden aangesproken. Haar medewerking was voor de totstandkoming en effectuering van de transactie immers niet vereist. Voor zover in de stellingen een samenspanningsverwijt zou moeten worden gelezen, is dit verwijt onvoldoende onderbouwd. De stelling dat het aandelenbezit van Bullet Beheer zou zijn verwaterd is gebaseerd op het onjuiste uitgangspunt dat de vennootschap van kind 2 niet 10% maar nog maar 8,9% van de aandelen in Oilily World zou hebben. De slotsom is dan ook dat voorshands moet worden geoordeeld dat van onrechtmatig handelen geen sprake is, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van voorzieningen en de vorderingen onder II en III evenmin toewijsbaar zijn.