Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Amersfoort), 22 maart 2017
ECLI:NL:RBMNE:2017:1370

werkneemster/werkgever

Partijen verwijten elkaar over en weer dat zij de re-integratieverplichtingen niet zijn nagekomen. Kantonrechter oordeelt dat werkgever de verplichtingen uit artikel 7:658a lid 1, 2 én 3 BW heeft geschonden.

Feiten

Werkneemster is op 1 februari 2006 in dienst getreden bij werkgever in de functie van administratief medewerkster voor 30 uur per week. Werkneemster heeft zich op 3 december 2013 ziek gemeld. Partijen verwijten elkaar over en weer dat zij de re-integratieverplichtingen niet zijn nagekomen. Omdat werkneemster vanaf 11 december 2014 geen loon meer had ontvangen, heeft zij een kort geding tegen werkgever aanhangig gemaakt, waarbij zij het achterstallige loon met nevenvorderingen van werkgever heeft gevorderd. Bij kortgedingvonnis van 29 april 2016 heeft de voorzieningenrechter de loonvordering over de periode van 11 december 2014 tot 15 oktober 2015 toegewezen. Werkneemster vordert in onderhavige procedure, loon, de vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering.

Oordeel

Partijen verwijten elkaar over en weer dat zij hun re-integratieverplichtingen niet zijn nagekomen. Uit het deskundigenoordeel van het UWV van 17 november 2014, het deskundigenoordeel van het UWV van 28 januari 2015, de beslissing van het UWV van 24 december 2015 en de beslissing op bezwaar van het UWV van 28 mei 2016 blijkt dat de door werkgever uitgevoerde re-integratie-inspanningen bij voortduring niet voldoende zijn geweest, terwijl uit de beslissing van het UWV van 25 september 2015 en het deskundigenoordeel van het UWV van 29 juli 2016 blijkt dat werkneemster voldoende heeft meegewerkt aan haar re-integratie. Na 25 september 2015 had op grond van artikel 7:658a lid 1 BW de re-integratie in het tweede spoor moeten worden gestart. Dat was ten tijde van de comparitie op 13 januari 2017 nog steeds niet gebeurd. Daarmee heeft werkgever in strijd met haar re-integratieverplichtingen als bedoeld in artikel 7:658a lid 1 en 2 BW gehandeld. Voorts staat vast dat werkgever heeft nagelaten tijdig een plan van aanpak op te stellen, zelfs nadat werkneemster daar op 11 mei 2016 expliciet om had verzocht. Hiervan valt werkgever een verwijt te maken, omdat zij ten onrechte eerst de beslissing op haar bezwaar tegen de loonsanctie en vervolgens de uitspraak van de bestuursrechter wilde afwachten. Werkgever heeft daarmee tevens in strijd gehandeld met haar re-integratieverplichting als bedoeld in artikel 7:658a lid 3 BW. Anders dan de voorzieningenrechter in haar vonnis van 29 april 2016 is de kantonrechter dan ook van oordeel dat niet werkneemster maar werkgever haar re-integratieverplichtingen vanaf 15 oktober 2015 onvoldoende is nagekomen. Dat betekent dat werkgever gehouden is het loon, de vakantietoeslag en eindejaarsuitkering ook door te betalen vanaf 15 oktober 2015 tot 13 januari 2017. Op grond van artikel 7:625 lid 1 BW maakt de werknemer aanspraak op een wettelijke verhoging over het achterstallig loon indien dit niet-voldoen van het loon aan de werkgever is toe te rekenen. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval aan deze voorwaarde is voldaan. Voor matiging is geen plaats omdat het percentage van 50 op grond van de omstandigheden van het geval billijk voorkomt. Verder zal de wettelijke rente over de verschuldigde bedragen worden toegewezen, evenals de vordering tot afgifte van deugdelijke specificaties.