Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 10 juli 2018
ECLI:NL:GHAMS:2018:2383
Martinair Holland N.V./werknemer c.s.
Feiten
De 'Vliegers' waren tot voor kort in dienst van Martinair. Bijlage 13 bij de cao Martinair Vliegers (hierna: de cao) kent vanaf 2009 een bepaling met betrekking tot de berekening en betaling van een ontslagvergoeding door Martinair aan aldus ontslagen werknemers. Martinair heeft per 1 november 2011 haar passageactiviteiten (het vervoeren van passagiers) gestopt en zij houdt zich sedertdien alleen nog bezig met luchtvrachtvervoer. Het RVA was, kort gezegd, een cao waarbij KLM, Martinair en VNV partij waren en waarmee een geïntegreerd vliegerskorps werd beoogd: de Vliegers van Martinair zouden per 1 januari 2014 uit dienst van Martinair treden en vervolgens aansluitend bij KLM in dienst treden. Op grond van het Protocol Pensioenen 2015 (hierna; het pensioenprotocol) gold vanaf 1 januari 2015 een werkgeversbijdrage pensioenpremie van 26,5% in plaats van het eerdere 18%. Martinair heeft geweigerd om van de uitkering ineens berekeningen op te stellen en betalingen te doen gebaseerd op toepassing van artikel IV bijlage 13 met 26,5% werkgeversbijdrage pensioen. De kantonrechter heeft VNV c.s. in het gelijk gesteld. De kantonrechter heeft daartoe het volgende overwogen. De cao is als gevolg van nawerking onderdeel gaan uitmaken van de arbeidsovereenkomsten van de Vliegers. Voor de uitleg van de cao-bepaling dient de cao-uitlegnorm te worden toegepast.
Oordeel
Het hof overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak geldt voor de uitleg van een cao de zogenoemde cao-norm. Martinair betoogt dat bij de aanspraak van de Vliegers gerekend dient te worden met een werkgeversbijdrage pensioen van 18%, VNV c.s. bepleiten dat gerekend dient te worden met een percentage van 26,5%. Een puur grammaticale uitleg geeft geen eenduidige uitkomst. Allereerst dient daarom gekeken te worden naar de bewoordingen van de betreffende bepalingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao. Nergens waar in de cao een van deze begrippen wordt gebruikt (bijvoorbeeld bij de berekening van de overlijdensuitkering of bij die van de oudejaarsuitkering), maakt daarvan deel uit het werkgeversdeel van de pensioenpremie. Het ligt daarom niet voor de hand ervan uit te gaan dat tot het begrip ‘maandsalaris’ in genoemd artikel IV, wél behoort het werkgeversdeel van de pensioenpremie. Daarvan uitgaand betekent dat hetgeen in genoemd artikel tussen haakjes staat, een uitbreiding vormt van de voor de haakjes geplaatste woorden ‘laatstgenoten maandsalaris’ (en niet zoals de kantonrechter overweegt een verduidelijking). VNV c.s. stellen (in de dagvaarding eerste aanleg onder randnummer 18) dat bedoeld is de Vliegers in geval van gedwongen ontslag in de positie te brengen dat zij een inkomensvoorziening ontvangen gelijk aan hetgeen zij bij een voortgezet dienstverband gedurende twee jaar zouden hebben ontvangen. Martinair heeft erop gewezen dat de situatie van KLM en die van Martinair van elkaar verschillen en dat bij Martinair al bij de totstandkoming van de betreffende bepaling in 2009 een statische uitleg is voorzien, namelijk dat betaald zou moeten worden een ontslagvergoeding met toepassing van het percentage van de werkgeversbijdrage pensioenpremie dat op dat moment gold. Het hof is van oordeel dat de wijziging van artikel IV van bijlage 13 van de cao 2011, in combinatie met de totstandkoming van het RVA in die periode, van welke bepalingen zowel VNV als ook de Vliegers op de hoogte waren, eerder een aanwijzing vormt voor de door Martinair voorgestane lezing van genoemd artikel IV, dan voor de lezing van VNV c.s. Zulks maakt dat de uitleg die Martinair voorstaat, gelet op hetgeen tussen en met betrekking tot partijen elders was overeengekomen, aannemelijker is dan de uitleg van VNV c.s. Een andersluidende schriftelijke toelichting op genoemd artikel IV, voor zover niet hierboven besproken, ontbreekt. Het hof is op grond van het bovenstaande van oordeel dat zowel de elders in de cao gebruikte formuleringen als ook de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden, wijzen op de door Martinair voorgestane uitleg van artikel IV van bijlage 13 van de cao. Bij gebreke van andere aanwijzingen ten gunste van de door VNV c.s. bepleite uitleg komt het hof tot de conclusie dat Martinair gehouden is om bij de berekening en betaling van de overtolligheidsuitkering als bedoeld in bijlage 13 van de cao, rekening te houden met een werkgeversbijdrage pensioen van 18%. Dat betekent dat de negen inhoudelijke tegen het bestreden vonnis gerichte grieven van Martinair slagen. Het vonnis van de kantonrechter zal worden vernietigd en de door Martinair gevorderde verklaring voor recht zal worden gegeven.