Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 9 april 2019
ECLI:NL:GHDHA:2019:701
werknemer/Lyondell Chemie Nederland B.V.
Feiten
Werknemer is per 1 september 2007 in dienst getreden van Lyondell Chemie Nederland B.V. (hierna: ‘LCN’). Partijen hebben overeenstemming bereikt over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2015. De afspraken zijn neergelegd in een Beëindigingsovereenkomst. Zwitserleven heeft (met terugwerkende kracht) de volledige arbeidsongeschiktheid van werknemer per 22 augustus 2015 erkend en werknemer in aanmerking gebracht voor een arbeidsongeschiktheidspensioen. Zwitserleven heeft een aanvullende pensioenbijdrage aan LCN in rekening gebracht van € 24.047, welke door LCN is voldaan. Aangezien de door Zwitserleven in rekening gebrachte aanvullende pensioenbijdrage van € 24.047 meer was dan het geschatte bedrag van € 16.500 dat is vermeld in artikel 3.1. van de Beëindigingsovereenkomst, heeft LCN onder verwijzing naar de in dit artikel vermelde regeling een bedrag van € 7.547 aan extra kosten pensioenbijdrage verrekend met de beëindigingsvergoeding. Werknemer vordert onder meer (1) veroordeling van LCN tot betaling aan hem van een bedrag van € 7.547 bruto; (2) verstrekking van een deugdelijke salarisspecificatie ten aanzien van dit bedrag en; (3) verstrekking aan Zwitserleven van het pensioengevend salaris van werknemer over de periode 2011 tot en met 2015, gebaseerd op de functieclassificatie E5, en tot betaling van een eventuele aanvullende pensioenbijdrage voor de opbouw van het arbeidsongeschiktheidspensioen gebaseerd op dit salaris. De kantonrechter heeft de vorderingen van werknemer afgewezen. Tegen dit oordeel keert werknemer zich in hoger beroep.
Oordeel
De kernvraag die beantwoord moet worden, is of werknemer een beroep op dwaling als bedoeld in artikel 6:228 lid 1 BW toekomt. Werknemer stelt dat hij heeft gedwaald over de hoogte van de door LCN aan Zwitserleven af te dragen pensioenbijdrage als gevolg van een (naar achteraf is gebleken: onjuiste) berekening van de door LCN ingeschakelde actuaris. Voor zover werknemer een beroep doet op artikel 6:228 lid 1 sub a BW kan dit beroep niet slagen. Hij heeft zijn stelling dat voldaan is aan de voorwaarden van dat artikel onvoldoende onderbouwd. Werknemer heeft immers wel gesteld dat hij heeft gedwaald en dat hij de overeenkomst niet op deze wijze zou hebben gesloten, maar hij heeft niet gemotiveerd weersproken dat LCN bij het sluiten van de Beëindigingsovereenkomst mocht aannemen dat een onjuistheid in de berekening van de hoogte van de pensioenbijdrage (die slechts was geschat) niet in de weg zou staan aan het sluiten van die overeenkomst. Ten aanzien van een beroep op wederzijdse dwaling (art. 6:228 lid 1 sub c) geldt mutatis mutandis hetzelfde. De vorderingen (1) en (2) kunnen niet worden toegewezen. Ten aanzien van de vraag of al dan niet sprake is van dwaling ten aanzien van het arbeidsongeschiktheidspensioen geldt het volgende. Duidelijk is dat werknemer heeft gedwaald met betrekking tot de al dan niet verhoging van zijn mogelijke arbeidsongeschiktheidsaanspraken als gevolg van de betaling van de aanvullende pensioenbijdrage aan Zwitserleven. Dit brengt echter nog niet mee dat voldaan is aan de eisen van artikel 6:228 lid 1 BW. Voor zover werknemer meent dat is voldaan aan de eisen van artikel 6:228 lid 1 sub a BW, omdat LCN hem onjuist heeft voorgelicht, heeft hij zijn stelling onvoldoende onderbouwd. Voor zover werknemer meent dat LCN niet heeft voldaan aan haar inlichtingenverplichting, als gevolg waarvan sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:228 lid 1 sub b BW, geldt dat werknemer niet gemotiveerd heeft gesteld dat LCN wist dat hij dwaalde ten aanzien van de invloed van de aanvullende pensioenbijdrage op zijn arbeidsongeschiktheidspensioen, zodat LCN hem ter zake voor had moeten lichten. De enkele omstandigheid dat LCN wist dat werknemer van mening was dat zijn pensioengevend salaris met terugwerkende kracht moest worden opgehoogd naar salarisgroep E5, maakt dit niet anders. Werknemer wist immers ook dat LCN dit standpunt niet deelde, en de Beëindigingsovereenkomst zag juist op (onder meer) dit punt. Vordering (3) kan derhalve ook niet worden toegewezen.