Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 7 mei 2019
ECLI:NL:GHSHE:2019:1692
werkgeefster/werkneemster
Feiten
Werkneemster is op 1 augustus 2017 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (één jaar) bij werkgeefster in dienst getreden in de functie van medewerker commerciële binnendienst. In de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is een non-concurrentiebeding en relatiebeding opgenomen. De arbeidsovereenkomst is op verzoek van werkneemster per 1 juli 2018 beëindigd. Werkneemster is sedert 2 juli 2018 bij BIA in dienst getreden in de functie van sales accountmanager. In eerste aanleg heeft werkgeefster in een kortgedingprocedure gevorderd dat de kantonrechter werkneemster verbiedt werkzaamheden voor BIA te verrichten. Werkneemster vordert kort samengevat in voorwaardelijke reconventie, indien het non-concurrentie- en relatiebeding niet nietig zijn, dat het non-concurrentie- en relatiebeding geheel dan wel gedeeltelijk worden geschorst. In het vonnis van 1 oktober 2018 heeft de voorzieningenrechter de vordering in conventie van werkneemster afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld. Daarmee is de voorwaarde waaronder de reconventie is ingesteld niet vervuld, zodat de voorzieningenrechter niet meer is toegekomen aan de beoordeling van de reconventionele vordering. Tegen dit oordeel keert werkgeefster zich in hoger beroep.
Oordeel
Het hof stelt voorop dat het spoedeisende karakter van de verlangde voorziening niet is weersproken. Dit spoedeisende belang vloeit ook voort uit de aard van het geschil en is ook in hoger beroep onverminderd aanwezig. Voor toewijzing van een voorziening als door werkgeefster verzocht, is vereist dat voldoende aannemelijk is dat ook de bodemrechter het beroep van werkgeefster op het non-concurrentiebeding honoreert. Het non-concurrentiebeding dat is opgenomen in artikel 15, is een beding in de zin van artikel 7:653 lid 1 BW. Op grond van artikel 7:653 lid 1 aanhef en sub a BW kunnen bedingen in de zin van dit artikel slechts worden overeengekomen in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. In afwijking hiervan kunnen bedingen in de zin van dit artikel ook opgenomen worden in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, indien uit de bij deze bedingen opgenomen schriftelijke motivering van de werkgever blijkt dat het beding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. Tijdens het pleidooi in hoger beroep is namens werkgeefster verklaard dat de tekst van het non-concurrentiebeding zoals dat is opgenomen in de arbeidsovereenkomst met werkneemster voor alle commerciële functies binnen werkgeefster wordt gebruikt. Deze tekst wordt verder niet toegespitst op de functie of op de persoon met wie de arbeidsovereenkomst wordt gesloten. Deze handelwijze strookt niet met de door de wetgever gewenste specifieke afweging en motivering per geval. Daarmee is naar het voorshandse oordeel van het hof niet voldaan aan de aan artikel 7:653 lid 2 BW ten grondslag liggende bedoeling en daaruit voortvloeiende motiveringseis. Werkgeefster heeft nog betoogd dat zij niet inziet op welke wijze zij haar bedrijfsbelang(en) c.q. de bescherming van haar bedrijfsdebiet ten opzichte van concurrenten, anders, of meer uitgebreid in het non-concurrentiebeding had moeten duiden. Het hof verwerpt dit betoog. De motivering van het concurrentiebeding had specifieker toegesneden kunnen worden op de werkzaamheden die werkneemster feitelijk vervulde. Het hof is voorshands van oordeel dat er geen rechtsgeldig non-concurrentiebeding tussen partijen is overeengekomen. Daarmee zijn de vorderingen van werkgeefster, die alle zijn gericht op nakoming van het non-concurrentiebeding, niet toewijsbaar. Gelet op het voorgaande behoeven de overige stellingen geen beoordeling meer en zal de vordering in conventie van werkgeefster worden afgewezen. Aan de voorwaarde waaronder werkneemster de reconventionele vordering heeft ingesteld, is ook in hoger beroep niet voldaan, zodat het hof hier niet aan toekomt. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.