Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Alliander N.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 1 april 2019
ECLI:NL:RBROT:2019:2622

werknemer/Alliander N.V.

Het beroep van Alliander op het verstrijken van de vervaltermijn ex artikel 7:686a BW is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De kantonrechter oordeelt daarnaast dat het maken van loonkosten tijdens een werkbegeleidingsperiode gekwalificeerd wordt als ‘gelijkwaardige voorziening’ in de zin van artikel 7:673b BW.

Feiten

Werknemer is op 1 augustus 1978 voor onbepaalde tijd bij Alliander in dienst getreden. Naast de cao Netwerkbedrijven 2015-2018 (hierna: cao Nwb) is het Sociaal Plan Alliander 2013-2016 (hierna: het Sociaal Plan) op werknemer van toepassing. Alliander heeft een reorganisatie doorgevoerd, als gevolg waarvan werknemer de status 'niet-geplaatst' heeft gekregen. Werknemer heeft daarna (zonder succes) op grond van het Sociaal Plan een werkbegeleidingstraject gevolgd. Vervolgens is werknemer per 1 augustus 2015 boventallig verklaard. Partijen hebben vervolgens een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij zij hebben afgesproken dat de arbeidsovereenkomst van werknemer per 1 mei 2017 eindigt. Partijen hebben overeenstemming bereikt over de voorwaarden van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met uitzondering van de vraag of werknemer aanspraak had kunnen maken op een gehele of gedeeltelijke transitievergoeding indien de arbeidsovereenkomst door Alliander zou zijn opgezegd na verleende toestemming door het UWV. Beide partijen hebben de kantonrechter op de voet van het bepaalde in artikel 96 Rv verzocht over het bovengenoemde een oordeel te geven.

Oordeel

Allereerst dient beoordeeld te worden of werknemer in zijn verzoek kan worden ontvangen. De arbeidsovereenkomst is per 1 mei 2017 geëindigd en het onderhavige verzoekschrift is pas ontvangen op 22 januari 2019, derhalve ruim na het verstrijken van de vervaltermijn ex artikel 7:686a lid 4 sub b BW. Hoewel het laten verstrijken van de in deze zaak geldende vervaltermijn in beginsel fataal moet worden geacht, is het beroep van Alliander op deze vervaltermijn in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de kantonrechter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als bedoeld in artikel 6:248 BW. Daartoe overweegt de kantonrechter dat Alliander, desgevraagd, heeft verklaard dat zij voorafgaand aan de onderhavige procedure geen beroep heeft gedaan op het verstrijken van de vervaltermijn. Werknemer had uit de gedragingen van Alliander ook niet hoeven afleiden dat zij een beroep zou doen op het verstrijken van de vervaltermijn. Immers, partijen zijn bij elkaar te rade gegaan over de persoon van de kantonrechter die zou worden aangezocht ter beslechting van het tussen hen gerezen geschil en zij hebben afspraken gemaakt over het gewenste procesverloop. Vervolgens is het verzoek aan de kantonrechter voorgelegd en heeft Alliander eerst bij verweerschrift een beroep gedaan op het verstrijken van de vervaltermijn. Het had op de weg van Alliander gelegen om dit standpunt in een eerder stadium aan werknemer kenbaar te maken, zodat werknemer had kunnen overwegen om af te zien van het voeren van de onderhavige artikel 96 Rv-procedure, zulks mede gelet op de daaraan verbonden kosten. Dat Alliander dat heeft nagelaten, maakt dat haar beroep op de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 sub b BW in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het geschil tussen partijen spitst zich vervolgens toe op de vraag of werknemer aanspraak had kunnen maken op een transitievergoeding in het geval de arbeidsovereenkomst door Alliander met toestemming van het UWV was opgezegd of dat in de cao een ‘gelijkwaardige voorziening’ in de zin van artikel 7:673b lid 1 BW is opgenomen. De kantonrechter oordeelt dat de tijdens de werkbegeleidingsperiode gemaakte loonkosten door Alliander gekwalificeerd worden als ‘gelijkwaardige voorziening’. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat werknemer geen aanspraak heeft op een transitievergoeding aangezien de cao-regeling als een gelijkwaardige voorziening als bedoeld in artikel 7:673b lid 1 BW heeft te gelden.