Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 21 mei 2019
ECLI:NL:GHDHA:2019:1227

werkneemster/werkgever

Werkgever beschikt niet meer over urenregistratie. Hof is voorshands van oordeel dat werkneemster bewijs heeft geleverd door overlegging van foto’s van kaartjes waarop prikkloktijden van de uren die zij heeft gewerkt zijn geprint. Werkgever mag tegenbewijs leveren.

Feiten

Het gaat in deze zaak, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, om de vraag hoeveel uren werkneemster heeft gewerkt voor werkgever in de periode van 23 juni 2015 tot en met 31 december 2015. Werkneemster stelt dat zij in totaal (afgerond) 1.112 uur heeft gewerkt, en vordert achterstallig loon, met nevenvorderingen. Werkgever betwist de vorderingen, en stelt dat werkneemster slechts 813,5 uur voor hem heeft gewerkt. Werkneemster heeft haar stellingen onderbouwd met door haar overgelegde printjes van foto’s van urenkaartjes, waarop de door haar gewerkte en – volgens haar – door de prikklok geregistreerde werktijden zijn vermeld. Verder heeft zij in hoger beroep nog twee schriftelijke getuigenverklaringen overgelegd. Werkgever betwist dat in 2015 de uren werden geregistreerd op de door werkneemster overgelegde urenkaartjes, en stelt dat dit gebeurde door middel van tijdschrijflijsten, die over de periode 2015 echter helaas verloren zijn gegaan. Werkgever stelt dat werkneemster alle door haar gewerkte uren betaald heeft gekregen, en wijst erop dat zij in de tijd dat zij voor hem werkte nooit bezwaar heeft gemaakt tegen het aantal uren dat op haar loonstrookjes werd vermeld.

Oordeel

Het hof overweegt dat werkneemster de bewijslast draagt van haar stelling dat zij in totaal (afgerond) 1.112 uur heeft gewerkt. Het hof is voorshands van oordeel dat zij dit bewijs heeft geleverd door overlegging van foto’s van de kaartjes waarop de prikkloktijden van de uren die zij heeft gewerkt zijn geprint, in samenhang met de schriftelijke verklaringen van de getuigen waarin het gebruik van dit soort kaartjes voor de urenregistratie wordt bevestigd. De stelling van werkgever dat de kaartjes in 2015 niet meer werden gebruikt, en de in dat verband door hem overgelegde schriftelijke verklaring van de getuige, acht het hof in het kader van het door werkgever te leveren tegenbewijs vooralsnog onvoldoende overtuigend. Daarbij weegt het hof mee dat werkgever weliswaar heeft gesteld dat hij de door (onder meer) werkneemster gewerkte uren heeft geregistreerd op tijdschrijflijsten, maar dat hij deze – ondanks zijn fiscale bewaarplicht en ondanks het feit dat partijen al in januari 2016 hebben gesproken over het aantal nog uit te betalen arbeidsuren van werkneemster – niet heeft kunnen overleggen. Dat werkneemster de kaartjes waarop de prikkloktijden zijn geprint heeft vervalst, acht het hof vooralsnog niet aannemelijk. Het feit dat werkneemster in de tijd dat zij voor werkgever werkte nooit bezwaar heeft gemaakt tegen het aantal uren dat op haar loonstrookjes werd vermeld, acht het hof onvoldoende zwaarwegend. De verklaring die werkneemster daarvoor heeft gegeven, namelijk dat zij zich in een afhankelijke positie bevond en bang was haar werk kwijt te raken, vormt hiervoor een aannemelijke reden.