Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 11 juni 2019
ECLI:NL:RBDHA:2019:5928
werknemer/NN Insurance Personeel B.V.
Feiten
Werknemer is van 1 november 1999 tot 1 oktober 2018 in verschillende functies in dienst geweest bij (de rechtsvoorganger van) NN Insurance Personeel B.V. (hierna: NN). In verband met een reorganisatie is werknemer boventallig verklaard. Hiertegen heeft hij geen bezwaar gemaakt en met de beëindiging van zijn dienstverband heeft hij ingestemd. Partijen hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin onder andere een finale kwijting – met uitzondering van onder meer pensioengeschillen – is opgenomen. Werknemer verzoekt voor recht te verklaren dat NN ten opzichte van werknemer toerekenbaar tekort geschoten is in de nakoming van de arbeidsovereenkomst met werknemer ex artikel 7:686 BW en dat NN verplicht is de (inkomens- en pensioen)schade die werknemer dientengevolge lijdt te vergoeden.
Oordeel
De eerste vraag die moet worden beantwoord is de vraag of het verzoek door middel van een verzoekschrift aanhangig moet worden gemaakt. Dat is niet het geval. In artikel 7:686 BW is bepaald dat de bepalingen van afdeling 9 van titel 10 van Boek 7 voor partijen de mogelijkheid van ontbinding wegens een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst en van schadevergoeding niet uitsluiten. Partijen staan dus óók die op Boek 6 BW gebaseerde rechtsmiddelen in verband met een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst ter beschikking. Die rechtsmiddelen moeten echter met een dagvaardingsprocedure worden ingeleid. Artikel 7:686 BW geeft geen afzonderlijke nieuwe procedure die met een verzoekschrift zou moeten worden ingeleid. Daarbij geldt dat ook het bepaalde in artikel 7:686a lid 4 BW hierop wijst. In dat artikel zijn immers de vervaltermijnen voor de in het kader van de Wet Werk en Zekerheid in te stellen procedures opgenomen, waarbij een procedure op grond van artikel 7:686 BW niet afzonderlijk wordt genoemd in tegenstelling tot alle andere verzoeken die per artikel worden aangeduid met verschillende vervaltermijnen per verzoek. Het bepaalde in artikel 7:686 lid 3 BW maakt dit niet anders. In dit geval is immers geen sprake van een geding dat is gebaseerd op het in, bij of krachtens afdeling 9 van titel 10 van Boek 7 bepaalde, maar van een vordering op grond van de algemene regeling van Boek 6 BW. Dat er in het recente verleden in een tweetal vergelijkbare zaken anders is geoordeeld, leidt evenmin tot een ander oordeel, nu het uitspraken van een rechter van gelijke rang betreft, waaraan de kantonrechter zich niet gebonden acht. De kantonrechter bepaalt dat de zaak in de stand waarin zij zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor een dagvaardingsprocedure.