Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 26 juli 2019
ECLI:NL:RBAMS:2019:5520
werknemer/Carlson Wagonlit Nederland B.V.
Feiten
Werknemer is op 1 juli 1973 in dienst getreden bij Carlson Wagonlit Nederland B.V. (hierna: ‘CWT’). Met ingang van 1 februari 1976 is hij deelnemer geworden aan de pensioenregeling van CWT, op dat moment ondergebracht bij Nationale Nederlanden (verder: ‘NN’). Met ingang van 1 januari 2007 heeft CWT het pensioen ondergebracht bij Zwitserleven. Op dat moment gold voor de opgebouwde pensioenaanspraken dat deze werden geïndexeerd, indien en voorzover de middelen dit toelieten. De waarde van de door werknemer tot 1 januari 2007 opgebouwde pensioenaanspraken is aan Zwitserleven overgedragen en daar geadministreerd onder polisnummer X (hierna: ‘polis 1’). De pensioenaanspraken die werknemer vanaf 1 januari 2007 heeft opgebouwd zijn geadministreerd onder polisnummer Y (hierna: ‘polis 2’). Voor beide polissen geldt hetzelfde pensioenreglement met een indexering voor zover de middelen dat toelaten. In de jaren 2012, 2013, 2014 is het door werknemer onder polis 2 opgebouwde pensioen steeds met 2% geïndexeerd. Het onder polis 1 ondergebrachte pensioen is na 1 januari 2007 in het geheel niet meer geïndexeerd. Op 1 februari 2016 is werknemer met pensioen gegaan. Werknemer vordert dat de kantonrechter voor recht verklaart dat de pensioenaanspraken in polissen 2 en 1 in 2012, 2013 en 2014 met 2% per jaar geïndexeerd moeten worden. Verder vordert hij dat de kantonrechter CWT veroordeelt om aan Zwitserleven opdracht te geven tot genoemde indexering over te gaan en daarbij de bijbehorende premies/kosten te voldoen, op straffe van een dwangsom en dat hij voor recht verklaart dat geen overeenstemming bestaat over de wijziging van de pensioenvoorziening per 1 januari 2007 en dat CWT als compensatie polis 1 alsnog gelijkelijk moet indexeren als polis 2 onder voldoening van aanvullende premies/kosten, op straffe van een dwangsom.
Oordeel
Partijen verschillen van mening over de uitleg van de pensioentoezeggingen van CWT aan werknemer op het punt van indexering. Die toezeggingen zullen moeten worden uitgelegd overeenkomstig de Haviltex-maatstaf. Naar het oordeel van de kantonrechter is de brief van CWT van 10 augustus 2007 maar op één manier uit te leggen. In die brief staat dat er niets verandert aan het pensioen van werknemer, behalve dat het bij een andere verzekeraar wordt ondergebracht met een grotere kans op indexering. Met die toezegging is onverenigbaar dat de op dat moment opgebouwde pensioenaanspraken nadien helemaal niet meer geïndexeerd hoeven te worden, zoals CWT bepleit. Een afspraak met die strekking is ook op een later moment niet gemaakt, of in een pensioenreglement opgenomen; dat is in ieder geval gesteld noch gebleken. Vanaf 1 januari 2007 had werknemer dus recht op indexering van zowel het overgedragen pensioen als het nadien op te bouwen pensioen overeenkomstig de pensioenregeling bij Zwitserleven. Dat Zwitserleven voornoemde pensioenbestanddelen in verschillende polissen heeft ondergebracht kan daar niet aan afdoen; voor een afwijkende behandeling is een contractuele grondslag nodig. De afzonderlijke indexeringstoezegging van in totaal 6% geldt op grond van het vorengaande voor het gehele pensioen; uit die toezegging blijkt ook niet dat dit anders is. Ook uit correspondentie van de Ondernemingsraad – waar werknemer lid van was – blijkt onvoldoende dat bij NN opgebouwd pensioen zou worden uitgezonderd van deze indexeringstoezegging, nog daargelaten dat binding van individuele werknemers daar in elk geval niet uit blijkt. Als het uniform pensioenoverzicht niet strookt met het vorengaande leidt dat niet tot een ander oordeel. Alhoewel een dwangsom kan worden verbonden aan het betalen van een geldsom aan een derde, ziet de kantonrechter geen aanleiding dat te doen. Er zijn geen aanwijzingen dat CWT een in rechte vastgestelde betalingsverplichting niet zal nakomen. De vorderingen worden grotendeels toegewezen.