Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het schoonmaak en glazenwassersbedrijf
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 28 april 2020
ECLI:NL:GHAMS:2020:1198
De premievordering van Bpf Schoonmaak is nog niet verjaard en opeisbaar geworden. Het uitvoeringsreglement bevat een termijn voor nakoming. Artikel 26 PW mist toepassing omdat er binnen zes maanden na afloop van de kalenderjaren 2010 en 2011 geen premie kon worden vastgesteld die betaald had moeten worden, hetgeen aan werkgever zelf was te wijten.

Feiten

Bpf Schoonmaak is een bedrijfstakpensioenfonds en uitvoerder van pensioenregelingen voor ondernemingen en bedrijfstakken. Ingevolge de Wet bpf is werkgever gehouden tot betaling van de verschuldigde premies voor zijn werknemers uit hoofde van de verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds. Bpf Schoonmaak heeft op 16 juli 2017, naar aanleiding van door haar van werkgever op 13 juli 2017 ontvangen loongegevens over de jaren 2010 en 2011, een aantal premienota’s over het tijdvak januari 2010 tot en met december 2011 gestuurd aan werkgever, maar deze nota’s zijn niet betaald. Werknemer heeft in eerste aanleg gevorderd dat de vordering van Bpf Schoonmaak ter zake van de pensioenpremies over de periode 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 is verjaard en dat hij niet gehouden is de desbetreffende premienota’s en de rentenota’s daarover te voldoen, subsidiair dat sprake is van rechtsverwerking. De kantonrechter heeft de vorderingen van werkgever afgewezen en de vorderingen van Bpf Schoonmaak toegewezen. Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt werkgever in hoger beroep op.

Oordeel

Gelet op het bepaalde in het uitvoeringsreglement oordeelt het hof allereest dat de vordering van Bpf Schoonmaak uit hoofde van de premienota’s van 16 juli 2017 over het tijdvak januari 2010 tot en met december 2011 eerst opeisbaar is geworden op 30 juli 2017, na het verstrijken van de betalingstermijn van 14 dagen. De verjaringstermijn is daarmee aangevangen op 31 juli 2017 en dus is de vordering van Bpf Schoonmaak niet verjaard. Een premievordering is een periodieke vordering, als in artikel 3:308 BW. Werkgever is derhalve gehouden de premienota’s te voldoen. Aan het voorgaande doet niet af dat van rechtswege een premie- en bijdragevordering ontstaat zodra een werkgever op grond van de Wet bpf 2000 onder de werkingssfeer van een bedrijfstakpensioenregeling komt te vallen en daarmee een verplichting krijgt tot aanmelding bij het bedrijfstakpensioenfonds alsmede de beginselverplichting tot premie- en bijdragebetaling. Het enkele ontstaan van een dergelijke vordering, die voortvloeit uit de betalingsplicht van de werkgever, brengt niet zonder meer de opeisbaarheid daarvan op datzelfde moment met zich in een geval als het onderhavige, waarin Bpf Schoonmaak het moment van opeisbaarheid vaststelt aan de hand van de in het uitvoeringsreglement opgenomen bepalingen omtrent die opeisbaarheid. Ook het beroep op rechtsverwerking faalt. Verder oordeelt het hof dat artikel 26 aanhef sub c PW toepassing mist omdat er binnen zes maanden na afloop van de kalenderjaren 2010 en 2011 nog geen premie kon worden vastgesteld die betaald had moeten worden, wat overigens aan werkgever zelf was te wijten. Tussen partijen staat vast dat de loongegevens over 2010 en 2011 pas op 13 juli 2017 door werkgever zijn aangeleverd, naar aanleiding waarvan Bpf Schoonmaak op 16 juli 2017 premienota’s heeft opgesteld. De grief hiertegen faalt.