Rechtspraak
Feiten
Appellante is vanaf 2002 werkzaam geweest als verzorgende B, laatstelijk in een omvang van 18 tot 28 uren per week. Op 22 augustus 2014 is zij voor haar werk uitgevallen wegens psychische klachten. In verband met een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellante op 20 juli 2016 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. In een rapport van 22 juli 2016 heeft deze arts over de re-integratie van appellante vermeld het in grote lijnen eens te zijn met de bedrijfsarts zodat het re-integratieverslag medisch akkoord is. Ter verdere beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid heeft hij de beperkingen van appellante vastgesteld. Een arbeidsdeskundige heeft in een rapport van 9 augustus 2016 geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever voldoende zijn geweest en heeft vervolgens vastgesteld dat appellante, gelet op de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen, in staat is nog 74,98% van haar maatmaninkomen te verdienen. Het UWV heeft bij besluit van 11 augustus 2016 vastgesteld dat appellante met ingang van 19 augustus 2016 niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering, omdat zij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 augustus 2016. De werkgever is in de re-integratieverplichtingen tekortgeschoten. Ook is zij van mening dat de beperkingen zijn onderschat en dat zij geen passend werk kan doen. Het bezwaar en beroep worden ongegrond verklaard. In hoger beroep handhaaft appellante haar standpunt.
Oordeel
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Net als de rechtbank meent de Centrale Raad van Beroep dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de uitkomst van het medisch onderzoek. De geselecteerde functies zijn voor appellante passend en er zijn voor haar geen belemmeringen voor het volgen van interne opleidingen in enkele van de geselecteerde voorbeeldfuncties. Evenals de rechtbank heeft geoordeeld bieden de rapporten van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige tot slot naar het oordeel van de Raad voldoende steun voor het standpunt van het UWV dat de ex-werkgever voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Verwezen wordt naar wat de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vermeld over de re‑integratie bij de eigen werkgever in het eerste spoor, waarvan is gebleken dat appellante te veel beperkingen had om in het eigen werk te re-integreren. Over de re‑integratie-inspanningen in het tweede spoor is overwogen dat daarvan ook in een deskundigenoordeel was vermeld dat die aanvankelijk te laat waren opgestart maar dat het traject meer dan zes maanden heeft geduurd en adequaat is geweest. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.