Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/de Belastingdienst
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 23 september 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:8405
Langdurig arbeidsongeschikte werkneemster toont onvoldoende aan dat werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door geen rekening te houden met haar medische beperkingen en haar offensief te benaderen. Afwijzing verzoek tot toekenning van billijke vergoeding.

Feiten

Werkneemster is met ingang van 1 juli 1997 in dienst getreden van de Belastingdienst. Zij heeft in de periode van 18 juli 2008 tot 30 november 2010 alsmede gedurende de periode van 3 februari 2015 tot en met 17 januari 2016 in verband met ziekte de bedongen werkzaamheden niet kunnen verrichten. Met ingang van 1 januari 2016 is een nieuwe leidinggevende aangesteld. Hij heeft voor werkneemster bij de bedrijfsarts een consult aangevraagd. Dat consult vond plaats op 15 juni 2016 en de bedrijfsarts heeft daarvan een rapport opgemaakt waaruit – kort gezegd – blijkt dat de beperkingen van werkneemster op energetisch gebied vooralsnog een subjectief probleem vormen. De bedrijfsarts heeft ten aanzien van zijn bevindingen en de prognose – samengevat – gerapporteerd dat er geen evidente medische beperkingen zijn waarmee tijdens de werkzaamheden van werkneemster rekening gehouden moet worden. Werkneemster was het met die conclusie niet eens. Met ingang van 6 september 2016 is werkneemster in verband met arbeidsongeschiktheid definitief uitgevallen. De Belastingdienst heeft op 30 januari 2020 aan het UWV toestemming gevraagd de arbeidsovereenkomst met werkneemster op te zeggen. Het UWV heeft op 28 februari 2020 de gevraagde toestemming verleend. De Belastingdienst heeft vervolgens bij brief van 23 maart 2020 de arbeidsovereenkomst met werkneemster opgezegd per 30 juni 2020. Werkneemster verzoekt de kantonrechter voor recht te verklaren dat de Staat aan haar een billijke vergoeding van € 101.536,02 dient te betalen. Samenvattend stelt werkneemster dat de Belastingdienst een substantiële bijdrage heeft geleverd aan haar blijvende arbeidsongeschiktheid en als zodanig ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.

Oordeel

Werkneemster heeft aan haar stelling dat de opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de Belastingdienst allereerst ten grondslag gelegd dat de werkgever in de periode vanaf 17 januari 2016 tot het uitvallen per 6 september 2016 onvoldoende rekening gehouden heeft met haar medische beperkingen. Terecht heeft de Belastingdienst gesteld dat van die medische beperkingen onvoldoende is gebleken. In dat kader acht de kantonrechter onder andere de bevindingen van de bedrijfsarts van belang. Werkneemster beroept zich voor haar stelling dat wel degelijk sprake was van medische beperkingen op het door haar overgelegde e-mailbericht van de toenmalige bedrijfsarts. In dat e-mailbericht kan de kantonrechter echter niet lezen dat die bedrijfsarts van mening is dat werkneemster medische beperkingen had. De bedrijfsarts reageert in dat bericht immers nogal geprikkeld op de suggestie dat hij een beroepsziekte niet zou hebben onderkend. Uit dit e-mailbericht kan niet worden afgeleid dat volgens de bedrijfsarts sprake was van medische beperkingen aan de kant van werkneemster. Werkneemster heeft tevens aan haar stelling dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van de Belastingdienst ten grondslag gelegd dat haar nieuwe leidinggevende haar offensief heeft benaderd en haar onder druk heeft gezet om de productienormen te halen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft werkneemster dit onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd. De kantonrechter wil wel aannemen dat werkneemster zich niet begrepen voelde en dat zij tegenwerking en daardoor mogelijk stress heeft ervaren, hetgeen overigens ook blijkt uit het hiervoor bedoelde e-mailbericht van de toenmalige bedrijfsarts die stelt dat de verhoudingen onderling ‘minder’ waren, doch die spanningen en die mogelijke verschillen van inzicht over het verloop van het re-integratietraject rechtvaardigen niet de conclusie dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de kant van de Belastingdienst. Nu voorts niet is komen vast te staan dat werkneemster in de periode van 17 januari 2016 tot 6 september 2016 slechts beperkt inzetbaar was, was haar leidinggevende ook gerechtigd haar aan te spreken op haar productiviteit en was hij tevens gerechtigd om van werkneemster een even hoge productie te verlangen als van de andere medewerkers die in dezelfde functie als werkneemster werkzaam waren. Uit het voorgaande volgt dat niet gebleken is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de Belastingdienst in de zin van artikel 7:682 lid 1 aanhef en onder c BW, zodat voor toekenning van een billijke vergoeding geen aanleiding bestaat en het verzoek van werkneemster tot toekenning van een billijke vergoeding afgewezen dient te worden.