Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 29 april 2021
ECLI:NL:RBOBR:2021:2268
Feiten
Werknemer werkte vanaf 1 augustus 1998 in vaste dienst bij Ahrend. Hij werkte daar aanvankelijk als samensteller op de assemblageafdeling. Het werk bestond in de periode 1998-2004 met name uit het sorteren en monteren van tafelpoten (gewicht van ongeveer 10 kg). Werknemer moest ook regelmatig zware pallets (ca. 23 kg per stuk) verplaatsen en frames monteren. In 2004 ontstonden bij werknemer voor het eerst rugklachten. Op 26 april 2005 werden röntgenfoto’s van de hals en rugwervels van werknemer gemaakt en werd wat betreft de rug een spondylolysis (een onderbroken wervelboog) en een spondylolisthesis (afgegleden wervel) gezien. Naar het oordeel van de bedrijfsarts had werknemer blijvende beperkingen voor zware rugbelasting. In de periode van 2004-2012 heeft werknemer in ‘de winkel’ gewerkt. Daar was het werk lichter, maar hij moest toch nog af en toe zware materialen hanteren (tot ca. 15 kg), pallets sjouwen en veel bukken en staan. In 2009 kreeg werknemer lichtere werkzaamheden bij Ahrend. In 2012 vond bij Ahrend een reorganisatie plaats en per 1 augustus 2012 werd werknemer ontslagen vanwege bedrijfseconomische gronden. Op 12 februari 2014 heeft werknemer zich ziek gemeld bij het UWV. Op verzoek van werknemer heeft Bureau Beroepsziekten FNV (hierna: BBZ FNV) onderzoek gedaan naar de vraag of de klachten van werknemer veroorzaakt zijn door de door hem bij Ahrend verrichte werkzaamheden en of sprake is van een arbeidsgerelateerde ziekte waarvoor Ahrend op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is. De medisch adviseur van BBZ FNV heeft op 8 december 2017 en op 6 april 2019 een advies uitgebracht en heeft geoordeeld dat er sprake is van rugklachten veroorzaakt door de arbeidsomstandigheden van werknemer bij Ahrend. BBZ FNV heeft Ahrend vervolgens per brief van 20 maart 2018 aansprakelijk gesteld voor de (geleden en nog te lijden) schade van werknemer ten gevolge van rugklachten. RSA (de aansprakelijkheidsverzekeraar Ahrend) heeft op 12 juli 2018 aan medisch adviesbureau Genas B.V. om een medische beoordeling van het dossier van werknemer gevraagd. Op 30 oktober 2018 heeft de geneeskundig adviseur verslag uitgebracht en geconcludeerd dat er medisch gezien geen aanleiding is uit te gaan van arbeidsgerelateerde gezondheidsproblematiek. Per brief van 22 november 2018 is de aansprakelijkheidsstelling van werknemer dan ook van de hand gewezen. Werknemer verzoekt de kantonrechter voor recht te verklaren dat Ahrend ex artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade van werknemer met hoofdelijke veroordeling van Ahrend en haar verzekeraar RSA tot vergoeding van de materiële en immateriële schade van werknemer.
Oordeel
Arbeidsrechtelijke omkeringsregel
Het is in het kader van de toepassing van artikel 7:658 BW aan de werknemer om te stellen en te bewijzen dat hij schade heeft opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Wanneer hij echter in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke omstandigheden en schade aan zijn gezondheid heeft opgelopen, moet het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en die schade in beginsel worden aangenomen indien de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade lijdt. Voor de toepassing van deze zogenoemde arbeidsrechtelijke omkeringsregel is nodig dat de werknemer stelt en zo nodig bewijst dat (1) hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, én (2) hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt.
Ad 1. Blootstelling aan gevaarlijke werkomstandigheden
Werknemer zet allereerst gemotiveerd uiteen welke rugbelastende werkzaamheden hij tijdens zijn dienstverband bij Ahrend heeft moeten verrichten, zowel voor de periode 1998-2004 (toen werknemer werkte op de afdeling assemblage/potenmontage) als voor de periode 2004-2012 (toen werknemer in ‘de winkel’ werkte). Werknemer heeft aan de hand van registratierichtlijn D023 van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten gedetailleerd aangegeven op welke wijze hij is blootgesteld aan gevaarzettende arbeidsomstandigheden, daarbij gebruikmakend van de ‘checklist fysieke belasting’, de NIOSH-formule, het ‘scoreformulier arbeidsgerelateerdheid aspecifieke lage rugklachten’, de instrumenten DUTCH (Duw en Trek Check) en WHI (Werk Houdingen Instrument). Ook heeft werknemer enkele getuigenverklaringen in het geding gebracht. De kantonrechter is van oordeel dat de blootstelling van werknemer aan gevaarlijke werkomstandigheden voldoende is komen vast te staan. De arbeidsomstandigheden die werknemer heeft geschetst en de rapportage BBZ FNV, zijn door Ahrend niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. De enkele stelling ter zitting dat zij al meer dan 30 jaar een medewerker in dienst heeft verantwoordelijk voor en ‘gericht op ARBO-beleid’ is niet met verifieerbare stukken onderbouwd. Ahrend is vooralsnog op geen enkele wijze ingegaan op de specifiek geschetste arbeidsomstandigheden van werknemer. Van Ahrend had een nadere onderbouwing verwacht mogen worden, maar die ontbreekt. In de conclusie van antwoord is enkel een bewijsaanbod gedaan. Het verzoek van Ahrend om alsnog in de gelegenheid gesteld te worden om in te gaan op de door werknemer geschetste arbeidsomstandigheden, wordt door de kantonrechter niet gehonoreerd. Werknemer heeft voorshands aannemelijk gemaakt dat hij tijdens zijn werkzaamheden is blootgesteld aan risico’s voor de gezondheid. Aan de eerste voorwaarde voor toepassing van de omkeringsregel heeft werknemer dus voldaan.
Ad 2. Klachten kunnen zijn veroorzaakt door werkomstandigheden
De kantonrechter oordeelt, met inachtneming van de medische rapportages, dat de klachten van werknemer kunnen zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden bij Ahrend en dat de relatie tussen de blootstelling en de rugklachten van werknemer, aannemelijk is. De kantonrechter is niet duidelijk hoe tot de aanname wordt gekomen dat de spondylolysis die bij werknemer is vastgesteld pre-existent aanwezig was en geen reden kan zijn om uit te gaan van een arbeidsgerelateerde aandoening. Ook is onduidelijk of de hypermobiliteit van werknemer verband houdt met de spondylolysis. Uit de medische gegevens van werknemer voorafgaand aan zijn dienstverband met Ahrend blijkt niet dat er sprake is van een spondylolysis (of hypermobiliteit). De kantonrechter volgt dan ook de conclusie van de medisch adviseur van BBZ FNV dat bij werknemer niet is vast te stellen of de spodylolysis aangeboren is, omdat er geen gegevens beschikbaar zijn. Dat er mogelijk sprake is van een aangeboren spondylolysis (waarvan zoals door de medisch adviseur onweersproken is gesteld bij 6% van de bevolking sprake is en die in de meeste gevallen niet tot klachten lijdt), neemt niet weg dat de spondylolysis ontstaan kan zijn door overbelasting in het werk. Dat de spondylolysis ontstaan kan zijn tijdens zijn werkzaamheden bij Ahrend, blijkt ook uit de folder die Ahrend over heeft gelegd. Hierin staat vermeld dat een spondylolysis kan ontstaan als een vermoeidheidsbreuk bij zware rugbelastende activiteiten en piekbelasting onder in de rug. Werknemer heeft aan de hand van een aantal bij bedrijfsartsen gebruikelijke richtlijnen en checklisten uiteengezet dat zijn werkzaamheden risico’s van rugklachten met zich meebrachten en heeft aannemelijk gemaakt dat deze risico’s zich bij hem hebben gerealiseerd. Het vorenstaande leidt ertoe dat ook aan de tweede voorwaarde voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel is voldaan.
Zorgplicht Ahrend
Het oordeel dat de arbeidsrechtelijke omkeringsregel van toepassing is, brengt met zich mee dat het op de weg van Ahrend ligt om feiten en omstandigheden met betrekking tot de werksituatie van werknemer te stellen en te bewijzen dat zij niet in haar zorgplicht is tekortgeschoten. De kantonrechter is van oordeel dat Ahrend de stelling van werknemer dat Ahrend in strijd heeft gehandeld met artikel 3 Arbeidsomstandighedenwet, niet, althans onvoldoende, gemotiveerd heeft bestreden. De door werknemer gestelde gevaarzettende arbeidsomstandigheden zijn door Ahrend niet, althans niet gemotiveerd, betwist. De omstandigheid dat werknemer reeds vanaf 2004 kon gaan werken in de winkel en dat werknemer, op advies van de bedrijfsarts, begeleiding ontving in de zin van ‘Training on the job’, is volstrekt onvoldoende ter onderbouwing van haar stelling dat zij voldaan heeft aan haar zorgplicht. Hetzelfde geldt voor haar verklaring ter zitting dat Ahrend al meer dan 30 jaar een medewerker in dienst heeft, verantwoordelijke voor en gericht op ARBO-beleid. Gelet op dat wat hiervoor is overwogen, kan er niet van worden uitgegaan dat Ahrend ten aanzien van de arbeidsomstandigheden van werknemer heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen op grond van artikel 3 Arbeidsomstandighedenwet. Verder is gesteld noch gebleken dat Ahrend niet in staat was het werk zodanig te organiseren dat het werk minder belastend was voor werknemer. De kantonrechter wijst de vordering van werknemer toe en verklaart voor recht dat Ahrend ex artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade van werknemer.