Rechtspraak
Feiten
Werknemer is op 15 mei 2019 in dienst getreden bij Hoogvliet B.V. in de functie van directeur operations. Het verzoek strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van werknemer onder toepassing van de reguliere opzegtermijn per 1 september 2021 op grond van een verschil van inzicht tussen partijen over de wijze waarop de functie moet worden ingevuld. Volgens werknemer heeft hij met Hoogvliet overeenstemming bereikt over het ontbindingsverzoek en hij kan instemmen met het verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van een verschil van inzicht.
Oordeel
De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden opgezegd, indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Partijen zijn het erover eens dat er tussen hen een verschil van inzicht is over de wijze waarop de functie moet worden ingevuld en dat daarom de arbeidsovereenkomst niet in stand kan blijven. Nu herplaatsing van werknemer in een andere passende functie gelet hierop niet in de rede ligt en niet is gebleken dat sprake is van enig opzegverbod zal de kantonrechter de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst ontbinden. Gelet op de standpunten van partijen is immers sprake van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in artikel 7:671b lid 1 onder a BW in samenhang gelezen met artikel 7:669 lid 3 onder h BW. Bij ontbinding per 1 september 2021 wordt de wettelijke opzegtermijn in acht genomen, zodat de arbeidsovereenkomst zoals verzocht per 1 september 2021 zal worden ontbonden. Partijen hebben overeenstemming bereikt over een beëindigingsvergoeding ter hoogte van € 200.000 bruto. Dit bedrag omvat volgens partijen reeds de wettelijke transitievergoeding waarop werknemer door de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op initiatief van Hoogvliet aanspraak kan maken. De kantonrechter begrijpt de afspraak tussen partijen aldus dat een beëindigingsvergoeding is overeengekomen gelijk aan het verschil tussen € 200.000 en het bedrag van de wettelijke transitievergoeding. Anders geformuleerd: partijen zijn overeengekomen dat Hoogvliet de wettelijke transitievergoeding zal aanvullen tot een bedrag van € 200.000. Dit bedrag zal worden toegewezen op de wijze als hierna omschreven. Bij toewijzing van een afzonderlijke ‘verklaring voor recht’ dat werknemer geen afzonderlijke aanspraak toekomt op uitbetaling van de transitievergoeding hebben partijen gelet op het voorgaande geen belang.