Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 7 september 2022
ECLI:NL:RBLIM:2022:6845
Loon ingehouden door vermeend tekort aan vakantiedagen. Geen bewijs voor stelling tekort aan verlofuren. Vordering werknemer van € 1.763,64 toegewezen.

Feiten 

Werknemer is op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst geweest bij werkgever. De arbeidsovereenkomst is per 11 februari 2022 beëindigd door middel van een vaststellingsovereenkomst. Daarin is onder meer opgenomen: ”Werknemer zal tot datum einde arbeidsovereenkomst geen werkzaamheden meer verrichten. Hij houdt zich wel beschikbaar voor het geven van inlichtingen, het beantwoorden van vragen en/of voor het verrichten van werkzaamheden. Werknemer behoudt tot datum einde arbeidsovereenkomst zijn recht op salaris en alle overige op grond van de arbeidsovereenkomst hem toekomende emolumenten.” Op de eindafrekening is een bedrag van € 1.763,64 ingehouden in verband met een tekort aan vakantiedagen. Werknemer heeft hiertegen geprotesteerd en vordert onder meer dat bedrag aan ingehouden loon. 

Oordeel  

Het gaat over de vraag of werkgever terecht een inhouding op het salaris heeft gedaan. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is en dat de vordering van werknemer moet worden toegewezen. Partijen zijn het erover eens dat werknemer volgens de vaststellingsovereenkomst tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst niet meer hoefde te werken. Werkgever beroept zich vervolgens op een verlofaanvraag voor het opnemen van onbetaald verlof vanwege de thuissituatie van werknemer. Werknemer betwist een dergelijke aanvraag te hebben gedaan. Omdat werkgever zich beroept op een rechtsgevolg, te weten de inhouding op de eindafrekening in verband met een tekort aan verlofuren, rust de bewijslast van die stelling op werkgever. Hieraan wordt echter niet toegekomen omdat werkgever geen bewijs van juistheid van deze stelling heeft aangeboden. Hij biedt weliswaar aan om de leidinggevende van werknemer als getuige te horen, omdat deze bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst aanwezig was, maar hij geeft niet aan dat de leidinggevende ook kan verklaren over de verlofaanvraag. Het bewijsaanbod is ook niet meer herhaald in de conclusie van dupliek. Dit leidt ertoe dat werkgever niet wordt toegelaten tot bewijslevering en dat zijn verweer wordt verworpen. De vordering staat hiermee als niet weersproken tussen partijen vast, zodat deze kan worden toegewezen.