Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Leiden), 10 november 2022
ECLI:NL:RBDHA:2022:12931
Feiten
Werknemer is sinds 1 augustus 2011 in dienst van werkgeefster, een accountantskantoor met ongeveer tachtig medewerkers in dienst. De arbeidsovereenkomst is tweemaal voor bepaalde tijd verlengd en werknemer is sinds 1 februari 2014 voor onbepaalde tijd in dienst in de functie van Assistent-Accountant. Er is sprake van een concurrentie-, relatie- en geheimhoudingsbeding. In de loop van 2019 is werknemer teamleider/controleleider geworden en in december 2020 heeft hij de post-master Accountancy RA behaald. Op 26 augustus 2022 heeft werknemer aan zijn leidinggevende te kennen gegeven dat hij een overstap wil maken naar een andere werkgever, die als concurrent van de huidige werkgever kwalificeert. Tevens heeft werknemer zijn arbeidsovereenkomst schriftelijk opgezegd tegen 30 september 2022. Op 31 augustus 2022 bericht werkgeefster dat zij werknemer aan het concurrentiebeding houdt. Werknemer vordert onder meer gehele of gedeeltelijke schorsing van het concurrentiebeding, althans dit te matigen in duur. Tevens vordert hij een schorsing van het studiekostenbeding en gehele of gedeeltelijke schorsing van het boetebeding. Werknemer stelt dat het concurrentiebeding alleen betrekking heeft op zijn werkzaamheden als Assistent Accountant en niet als teamleider (zwaarder drukken-criterium). Volgens werkgeefster is dit een te beperkte uitleg van het concurrentiebeding.
Oordeel
Uitleg concurrentiebeding
De kantonrechter acht de betwisting van werkgeefster terecht: het concurrentiebeding is in 2014 overeengekomen toen werknemer Assistent Accountant werd. Het is aannemelijk dat werknemer nog steeds Assistent Accountant is, zij het sinds 2019 met meer verantwoordelijkheden. Het beding dient aldus te worden uitgelegd dat het mede ziet op de werkzaamheden van werknemer sinds 2014 als teamleider. Verder verschillen volgens werknemer de beoogde werkzaamheden bij de nieuwe werkgever zozeer dat deze niet onder het concurrentiebeding vallen: hij houdt zich bij werkgeefster bezig met audit en dat doet de nieuwe werkgever volgens hem niet. Volgens werknemer gaat het er niet om of de nieuwe werkgever binnen tien kilometer vanaf de huidige werkgeefster is gevestigd, maar of de werkzaamheden binnen die straal plaatsvinden. Deze uitleg is naar het oordeel van de kantonrechter onbegrijpelijk. Uitgangspunt is immers dat een werknemer werkt op het kantoor van zijn werkgever, en dat is ook bij de nieuwe werkgever het geval. De kantonrechter acht het aannemelijk dat de huidige en nieuwe werkgever concurrenten zijn.
Ingrijpende wijziging arbeidsovereenkomst en zwaarder drukken concurrentiebeding?
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft werknemer in de loop van 2019 meer verantwoordelijkheden gekregen, hetgeen in de lijn van de verwachtingen lag. Dat werknemer in de loop van 2019 teamleider is geworden, is naar het oordeel van de kantonrechter een voorzienbare aanpassing van de werkzaamheden. De kantonrechter acht het bovendien niet aannemelijk dat door de functiewijziging het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken. Verder heeft werknemer niet aannemelijk gemaakt dat het teamleiderschap tot een aanzienlijk hoger salaris heeft geleid.
Belangenafweging
Volgens werknemer wordt hij onbillijk beperkt in zijn grondrecht op vrije arbeidskeuze. De kantonrechter oordeelt dat beide partijen een zwaarwegend belang hebben bij het al dan niet handhaven van het concurrentiebeding. Het belang van werknemer gaat echter volgens de kantonrechter zwaarder wegen, naarmate het einde van zijn dienstbetrekking bij werkgeefster langer geleden is en zijn mogelijkheid om bij de nieuwe werkgever te gaan werken verder wordt beperkt. De grens ligt naar het oordeel van de kantonrechter bij 1 april 2023. De kantonrechter wijst de primaire vordering toe in die zin dat zij het concurrentiebeding zal schorsen met ingang van 1 april 2023 en totdat in een bodemprocedure of hoger beroep van dit vonnis is geoordeeld. De vordering tot schorsing van het boetebeding wijst de kantonrechter eveneens toe voor zover het het concurrentiebeding betreft en ingaande 1 april 2023. De vordering met betrekking tot de schorsing van het studiekostenbeding acht de kantonrechter niet spoedeisend.