Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster c.s./werkneemster
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Bergen op Zoom), 24 januari 2024
ECLI:NL:RBZWB:2024:372
Vennoten failliete vof veroordeeld tot betaling van persoonlijke toeslag (€ 34.980,56) en overuren werkneemster. Mondelinge afspraak om maandelijks 15 overuren van het overurensaldo te betalen is nietig.

Feiten

Werkneemster is in dienst van werkgeefster. Werkneemster werkte aanvankelijk als productiemedewerkster, maar is per juni 2014 de functie van meewerkend voorvrouw gaan vervullen. Begin 2019 is zij weer haar oude functie gaan vervullen. Werkgeefster, een vof, is op 1 augustus 2023 failliet verklaard. Voor haar twee vennoten geldt dat geen sprake is van een faillissement. Werkneemster vordert (onder meer) betaling van een persoonlijke toeslag en van de vergoeding van overuren en spreekt daarvoor zowel de vof als de afzonderlijke vennoten aan.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Persoonlijke toeslag

Met het bekleden van de functie van meewerkend voorvrouw per juni 2014 is een loonsverhoging gepaard gegaan in de vorm van een persoonlijke toeslag van € 665,81 bruto per maand. De vordering van werkneemster tot betaling van de persoonlijke toeslag zal daarom worden toegewezen, met dien verstande dat de toeslag is geëindigd op 1 januari 2019. Begin 2019 heeft werkneemster haar functie van meewerkend voorvrouw immers neergelegd en is zij opnieuw haar oude functie van productiemedewerkster gaan vervullen. Daarmee kwam ook de persoonlijke toeslag te vervallen die samenging met de functie van meewerkend voorvrouw. Rekening houdend met (cao-)verhogingen, wordt een bedrag van € 34.980,56 bruto (zoals gevorderd) toegewezen. De vennoten worden veroordeeld tot betaling van dat bedrag.

Overuren

De kantonrechter bepaalt dat de mondelinge afspraak van partijen om maandelijks 15 overuren van het overurensaldo te betalen nietig is. Artikel 7:623 lid 1 BW bepaalt dat de werkgever verplicht is het in geld naar tijdruimte vastgestelde loon te voldoen telkens na afloop van het tijdvak waarover het loon op grond van de overeenkomst moet worden berekend, met dien verstande dat het tijdvak voor voldoening niet korter is dan één week en niet langer dan één maand. Anders dan de vennoten aanvoeren, valt overwerk ook onder deze bepaling volgens vaste rechtspraak (HR 1 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7347). Artikel 7:623 lid 2 BW bepaalt dat het tijdvak na afloop waarvan het loon moet worden voldaan, slechts bij schriftelijke overeenkomst kan worden verlengd. De mondelinge afspraak van partijen voldoet daar dus niet aan. Dat betekent dat voor zover er een saldo aan overuren is, de vennoten de loonwaarde daarvan ineens aan werkneemster moeten betalen. Op dat saldo moet in mindering strekken de overuren die de vennoten hebben uitbetaald onder de noemer ‘persoonlijke toeslag’ in de loonstroken vanaf juli 2014. De vordering tot veroordeling van de vennoten om vanaf 1 juni 2020 tot de rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst de overuren van de voorafgaande maand te betalen, is niet weersproken. Die vordering wordt als onweersproken toegewezen.