Naar boven ↑

Rechtspraak

de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het beroepsvervoer over de weg/X
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 12 maart 2024
ECLI:NL:GHSHE:2024:809
Verzet tegen dwangbevel Bpf (artikel 21 lid 5 Wet Bpf 2000). Bpf wordt in de gelegenheid gesteld om bewijs te leveren ten aanzien van de personen die volgens haar op grond van een arbeidsovereenkomst in dienst van een onderneming zouden zijn geweest en waarvoor deelneming in het Bpf verplicht is gesteld.

Feiten

X is ingeschreven geweest in het handelsregister van de Kamer van Koophandel als eigenaar van eenmanszaak ‘X Transportbemiddeling en Transport’. De vader van X was sinds 1 oktober 2005 ingeschreven als gevolmachtigde, met een volledige volmacht. De vader van X is ingeschreven geweest in het handelsregister als eigenaar van de eenmanszaak met handelsnaam ‘Administratie-Belastingadviezen X’ en met handelsnaam ‘Administratie Belastingadvies X DWT Transportbemiddeling’. X was sinds 1 oktober 2005 ingeschreven als gevolmachtigde, met een volledige volmacht. De vader van X is overleden op 11 april 2018. Voor personen die op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaam zijn geweest bij de onderneming van X is deelneming in Bpf Vervoer verplicht gesteld. Bpf Vervoer heeft op 29 april 2022 een dwangbevel van 16 april 2021 laten betekenen aan X en is overgegaan tot invordering van premies over de jaren 2004 t/m 2009, 2012/2013 en de periode van juli 2015 t/m mei 2018, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten, voor een bedrag van in totaal € 123.676,78. X is in verzet gekomen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. In het vonnis heeft de kantonrechter overwogen dat X terecht en op goede gronden protest heeft aangetekend tegen het door Bpf Vervoer uitgevaardigde dwangbevel van 16 april 2021. De kantonrechter heeft X tot goed opposant verklaard en het dwangbevel van 16 april 2021 buiten effect gesteld. Bpf Vervoer heeft hoger beroep ingesteld.

Oordeel

Bpf Vervoer heeft bij dwangbevel van 16 april 2021 achterstallige premies, wettelijke handelsrente en incassokosten ingevorderd (artikel 21 lid 1 Wet Bpf 2000). X is door het instellen van de onderhavige vordering tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel in verzet gekomen (artikel 21 lid 5 Wet Bpf). Op Bpf Vervoer rust de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de verschuldigdheid van de bedragen die zij op grond van het dwangbevel invordert. Bpf Vervoer heeft bewijs aangeboden van haar stelling dat tussen X en werknemers sprake was van een arbeidsovereenkomst, door het laten horen van verschillende getuigen. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft Bpf Vervoer dit bewijsaanbod herhaald en nader toegelicht. Naar het oordeel van het hof heeft Bpf Vervoer deze stelling voldoende onderbouwd om tot bewijslevering te worden toegelaten. Bpf Vervoer zal dan ook overeenkomstig haar bewijsaanbod worden toegelaten om feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat en zo ja, welke werknemers op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst van werknemer zijn geweest. X heeft zich ter onderbouwing van zijn standpunt dat werknemers een dienstverband hadden met zijn vader beroepen op ‘de door hem ontvangen uitspraken op bezwaarschrift van de omzetbelasting’. Het hof stelt vast dat deze stukken ontbreken. X dient deze stukken, te weten een bezwaarschrift en de uitspraken van de Belastingdienst, alsnog bij akte in het geding te brengen.