Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 13 november 2012
ECLI:NL:GHAMS:2012:BY5609
werknemer/CSU Cleaning Services Noord B.V.
Werknemer is op 27 augustus 2001 als medewerker algemeen schoonmaakonderhoud (schoonmaker) in dienst getreden van Hago Nederland B.V. (hierna: Hago) op het object Regiopolitie Amsterdam-Amstelland voor (stelling werknemer) 17,5 uur per week. Daarnaast had werknemer een dienstverband bij een ander schoonmaakbedrijf voor 38 uur per week. Per 1 januari 2007 verricht CSU – als gevolg van een contractswisseling na heraanbesteding – op het object de schoonmaakwerkzaamheden die voordien door Hago en door het schoonmaakbedrijf SGA werden verricht. CSU heeft werknemer een arbeidsovereenkomst voor 2 uur per week aangeboden. Werknemer heeft zich op enig moment op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op 17,5 uur werk en vordert loon krachtens artikel 7:662 BW dan wel artikel 50 CAO Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf.
Het hof oordeelt als volgt. Naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie is voor het antwoord op de vraag of sprake is van een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW van belang of er sprake is geweest van de overgang van een georganiseerd economisch verband, waarbij het aankomt op de omstandigheden van het geval. Bij een overgang van onderneming in een sector als de schoonmaakbranche, waar een eenheid werknemers zonder specifieke materiële of immateriële activa van betekenis kan functioneren, is met name van belang of de overnemende onderneming de activiteiten van de overgenomen onderneming voortzet en of daarbij gebruik wordt gemaakt van een qua aard en deskundigheid wezenlijk deel van het personeel dat haar voorganger voor die activiteiten had ingezet. Het feit dat de nieuwe werkgever, naar op zichzelf in deze zaak vaststaat, bij die schoonmaakactiviteiten geen gebruik maakt van dezelfde machines, schoonmaakmiddelen, werklijsten en schema’s als de oude werkgever en andere schoonmaakmethodes hanteert is, anders dan CSU meent, in beginsel niet relevant omdat die activa bij het verrichten van schoonmaakwerkzaamheden niet van essentieel belang zijn. Als een georganiseerde groep werknemers die bij de oude werkgever tezamen op een schoonmaakproject waren ingezet overgaat, is sprake van een overgang van onderneming, ook als deze werknemers op een andere wijze en met andere schoonmaakmiddelen en machines hun werkzaamheden verrichten dan zij plachten te doen. In dit kader is niet relevant dat CSU haar personeel een opleiding laat genieten. Nu verder vaststaat dat 65 van de 101 werknemers zijn overgenomen, dient enkel te worden beoordeeld of ook een qua deskundigheid (leidinggevenden) wezenlijk deel is overgegaan. Volgt aanhouding van de zaak.