Rechtspraak
Petersen
Petersen, een Duits staatsburger, was in Oostenrijk als werknemer actief. Op 14 april 2000 heeft hij bij het Oostenrijkse pensioenverzekeringsorgaan een aanvraag tot toekenning van een invaliditeitsuitkering op grond van de wettelijke pensioenverzekering ingediend. Deze aanvraag is afgewezen. Tegen deze beslissing heeft Petersen beroep aangetekend. Gedurende deze gerechtelijke procedure heeft de Arbeitsmarktservice Petersen een voorschot krachtens § 23 AIVG toegekend. Daar Petersen op dat ogenblik nog in Oostenrijk woonde maar zich vervolgens in Duitsland wenste te vestigen, heeft hij de Arbeitsmarktservice verzocht die uitkering ook na de woonplaatswijziging te blijven betalen. Op 28 oktober 2003 heeft de Arbeitsmarktservice dit verzoek afgewezen. Tegen deze beslissing heeft Petersen bij het Verwaltungsgerichtshof beroep aangetekend.
In zijn beslissing stelt de verwijzende rechter vast dat de exporteerbaarheid van de uitkering die in het hoofdgeding aan de orde is, afhangt van de vraag of deze als “werkloosheidsuitkering” dan wel als “invaliditeitsuitkering” in de zin van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 wordt gekwalificeerd, aangezien artikel 10, lid 1, van deze verordening in de exporteerbaarheid van de laatstgenoemde uitkering voorziet, terwijl artikel 69 van deze verordening de exporteerbaarheid van de eerstgenoemde uitkering beperkt tot een bijzonder geval dat in casu niet aan de orde is. Volgens de verwijzende rechter bevat de uitkering die in het hoofdgeding aan de orde is, elementen van beide soorten uitkeringen. Enerzijds wordt deze uitkering immers uit de middelen van de werkloosheidsverzekering betaald en moet de aanvrager werkloos zijn en voldoen aan de voorwaarden inzake de wachttijd. Anderzijds sluit deze uitkering aan bij de uitkeringen van de wettelijke pensioen- of ongevallenverzekering en voor de toekenning ervan is niet vereist dat de aanvrager arbeidsgeschikt, werkwillig en beschikbaar is om te werken. Beide laatstgenoemde elementen onderscheiden de zaak die in het hoofdgeding aan de orde is, van de zaak die heeft geleid tot het arrest Acciardi van 2 augustus 1993 (C-66/92, Jurispr. blz. I-4567), waarin het Hof heeft geoordeeld dat een uitkering die is bestemd voor gedeeltelijk arbeidsongeschikte werklozen en in de plaats komt van de algemene werkloosheidsuitkering, een “werkloosheidsuitkering” in de zin van artikel 4, lid 1, sub g, van verordening nr. 1408/71 uitmaakt.
Indien de uitkering die in het hoofdgeding aan de orde is, als een “werkloosheidsuitkering” in de zin van deze bepaling moet worden beschouwd, rijst volgens de verwijzende rechter de vraag of de schorsing van het recht op deze uitkeringen in geval van verblijf in het buitenland verenigbaar is met artikel 39 EG, vooral omdat - anders dan in het in artikel 69 van verordening nr. 1408/71 bedoelde geval - geen enkele controle van de werkwilligheid door de Arbeitsmarktservice wordt opgelegd, noch in Oostenrijk, noch in een andere lidstaat.
Hof van Justitie EG:
De eerste vraag van de verwijzende rechter strekt tot vaststelling van de aard van een uitkering als die welke in het hoofdgeding aan de orde is. Hij vraagt in wezen of een dergelijke uitkering moet worden beschouwd als een “invaliditeitsuitkering” in de zin van artikel 4, lid 1, sub b, van verordening nr. 1408/71, of als een “werkloosheidsuitkering” in de zin van lid 1, sub g, van dat artikel. Met betrekking tot de precieze vaststelling van de aard van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde uitkering, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat socialezekerheidsuitkeringen - los van de kenmerken die aan de onderscheiden nationale wettelijke regelingen eigen zijn - als gelijksoortig moeten worden aangemerkt, wanneer het voorwerp en het doel alsook de berekeningsgrondslag en de toekenningsvoorwaarden ervan identiek zijn. Zuiver formele kenmerken daarentegen zijn niet te beschouwen als constitutieve elementen voor de classificatie van de uitkeringen (zie in die zin arresten van 5 juli 1983, Valentini, 171/82, Jurispr. blz.2157, punt 13, en 18 juli 2006, De Cuyper, C-406/04, Jurispr. blz. I-6947, punt 25).
Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat zowel uit het voorwerp en het doel van de uitkering die in het hoofdgeding aan de orde is, als uit de berekeningsgrondslag en de toekenningsvoorwaarden ervan volgt dat een dergelijke uitkering rechtstreeks verband houdt met het werkloosheidsrisico als bedoeld in artikel 4, lid 1, sub g, van verordening nr. 1408/71, alhoewel zij is gekoppeld aan een aanvraag voor een invaliditeitsuitkering. Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord dat een uitkering als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, moet worden beschouwd als een “werkloosheidsuitkering” in de zin van artikel 4, lid 1, sub g, van verordening nr. 1408/71.
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 39 EG aldus moet worden uitgelegd, dat het eraan in de weg staat dat een lidstaat de toekenning van een uitkering als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die als een “werkloosheidsuitkering” in de zin van artikel 4, lid 1, sub g, van verordening nr. 1408/71 moet worden beschouwd, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de rechthebbenden hun woonplaats op het nationale grondgebied van deze staat hebben, wat dus de exporteerbaarheid van een dergelijke uitkering naar een andere lidstaat uitsluit.
Ofschoon lidstaten bij gebrek aan een harmonisatie op gemeenschapsniveau hun bevoegdheid behouden om hun stelsels van sociale zekerheid in te richten, moeten zij bij de uitoefening van deze bevoegdheid toch het gemeenschapsrecht eerbiedigen, in het bijzonder de bepalingen van het EG-Verdrag betreffende het vrije verkeer van werknemers (zie in die zin arresten van 23 november 2000, Elsen, C-135/99, Jurispr. blz. I-10409, punt 33, en 7 juli 2005, Van Pommeren-Bourgondiën, C-227/03, Jurispr. blz. I-6101, punt 39). Volgens vaste rechtspraak zou het doel van de artikelen 39 EG tot en met 42 EG niet worden bereikt indien de werknemers als gevolg van de uitoefening van hun recht op vrij verkeer socialezekerheidsvoordelen zouden verliezen die hun door de wettelijke regeling van een lidstaat worden toegekend, met name wanneer deze voordelen de tegenprestatie vormen voor door hen betaalde bijdragen. Een dergelijk gevolg zou een werknemer in de Gemeenschap er immers van kunnen weerhouden zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen en daarmee een belemmering van deze vrijheid kunnen opleveren (zie in die zin arresten van 4 oktober 1991, Paraschi, C 349/87, Jurispr. blz. I-4501, punt 22; 8 maart 2001, Jauch, C 215/99, Jurispr. blz. I-1901, punt 20, en arrest Hosse, reeds aangehaald, punt 24). Volgens vaste rechtspraak verbiedt het in artikel 39, lid 2, EG neergelegde beginsel van gelijke behandeling niet alleen openlijke discriminatie op grond van nationaliteit, maar ook alle verkapte vormen van discriminatie, die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden (zie met name arrest Meints, reeds aangehaald, punt 44, alsook arresten van 18 juli 2007, Hartmann, C-212/05, Jurispr. blz. I 6303, punt 29, en 18 juli 2007, Geven, C-213/05, Jurispr. blz. I 6347, punt 18).Tenzij zij objectief gerechtvaardigd is en evenredig aan het nagestreefde doel, moet een bepaling van nationaal recht als indirect discriminerend worden beschouwd, wanneer zij naar haar aard migrerende werknemers eerder kan treffen dan nationale werknemers en derhalve meer in het bijzonder eerstbedoelde werknemers dreigt te benadelen (reeds aangehaalde arresten Meints, punt 44; Hartmann, punt 30, en Geven, punt 19).
Aangezien het aan het Hof voorgelegde dossier geen enkel element bevat dat een objectieve rechtvaardiging zou kunnen uitmaken voor het woonplaatsvereiste dat geldt voor de toekenning van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde uitkering, moet dit vereiste als onverenigbaar met artikel 39 EG worden beschouwd.