Rechtspraak
Ruben Andersen
Richtlijn 91/533 is in Deens recht omgezet enerzijds Wet op de aanstellingsbrief en anderzijds bij collectieve arbeidsovereenkomst, de zogenoemde KTO-overeenkomst. Ingevolge § 1, lid 3, van de wet op de aanstellingsbrief vindt deze “geen toepassing voor zover de verplichting van de werkgever de werknemer te informeren over de voorwaarden die op zijn arbeidsverhouding van toepassing zijn, volgt uit een collectieve arbeidsovereenkomst waarvan de voorschriften ten minste beantwoorden aan de bepalingen van richtlijn 91/533”. De Deense gemeenten passen de KTO-overeenkomst toe op al hun werknemers, ongeacht of zij al dan niet bij een vakorganisatie zijn aangesloten. Ingevolge de KTO-overeenkomst kan een gemeente die geen aanstellingsbrief of een aanstellingsbrief met onjuiste gegevens heeft opgemaakt, deze brief opmaken of corrigeren binnen een termijn van twee weken nadat de werknemer daarop heeft geattendeerd. Bij uitblijven van een antwoord van de werkgever binnen deze termijn kan de werknemer de hem toekomende rechten voor het gerecht vorderen. Op grond van de Wet op de aanstellingsbrief kan een werkgever aansprakelijk worden gesteld, zonder dat de werkgever in staat wordt gesteld dit verzuim te herstellen (tweeweken termijn). Het recht om zich krachtens de KTO-overeenkomst tot de rechter te wenden geldt zowel voor bij als niet bij een vakvereniging aangesloten werknemers, en kan in de twee gevallen ook door de vakverenigingen worden uitgeoefend.
In de periode van 1999 tot 2001 nam Andersen krachtens de Deense wetgeving inzake sociaal beleid deel aan vijf programma's voor individuele beroepsre-integratie in de gemeente Skœlskør. Voor elk programma ontving Andersen een aanstellingsbrief die niet voldeed aan de vereisten van artikel 2, lid 2, van richtlijn 91/533. Blijkens het dossier verstrekte de werkgever binnen twee weken na daarop door Andersen te zijn geattendeerd, hem nieuwe aanstellingsbrieven die in alle opzichten voldeden aan deze vereisten. Daar Andersen van mening was dat de KTO-overeenkomst niet op hem van toepassing was, aangezien hij niet was aangesloten bij een vakvereniging, stelde hij op basis van de wet op de aanstellingsbrief, die werknemers recht op schadevergoeding geeft bij verzuim van de werkgever van zijn informatieplicht jegens werknemers, een schadevordering in bij de nationale rechter. Andersen stelde tegen de afwijzing van deze vordering in eerste aanleg beroep in bij de verwijzende rechter.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 8, lid 1, van richtlijn 91/533 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling krachtens welke de bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst die deze richtlijn in nationaal recht omzetten, van toepassing zijn op een werknemer, al is hij niet aangesloten bij een vakvereniging die partij is bij de collectieve arbeidsovereenkomst. Het hof oordeelt als volgt. Artikel 8, lid 1, van richtlijn 91/533 moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling krachtens welke de bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst die deze richtlijn in nationaal recht omzetten, van toepassing zijn op een werknemer, al is hij niet aangesloten bij een vakvereniging die partij is bij de collectieve arbeidsovereenkomst.
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/533 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een werknemer die niet is aangesloten bij een vakvereniging die partij is bij een collectieve arbeidsovereenkomst die zijn arbeidsverhouding beheerst, kan worden geacht te “vallen onder” die overeenkomst in de zin van deze bepaling. Volgens het hof blijkt uit verschillende taalversie van de Richtlijn dat artikel 8 lid 2 een dergelijke binding toestaat. Voorts strookt de bedoeling met de wil van de gemeenschapswetgever die de lidstaten machtigt om de werkgevers en werknemersvertegenwoordigers in het bijzonder door het sluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten de nodig. Artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/533 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat een werknemer die niet is aangesloten bij een vakvereniging die partij is bij een collectieve arbeidsovereenkomst die zijn arbeidsverhouding beheerst, kan worden geacht te “vallen onder” die overeenkomst in de zin van deze bepaling.
Met zijn derde vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen of de uitdrukking “tijdelijke arbeidsovereenkomst of verhouding” in artikel 8, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 91/533 aldus moet worden uitgelegd dat zij ziet op alle arbeidsovereenkomsten en verhoudingen voor bepaalde tijd dan wel alleen op die voor korte tijd. Het Hof overweegt als volgt. De gemeenschapswetgever heeft met het gebruik in artikel 8, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 91/533 van het woord “tijdelijk” - en niet van de uitdrukking “voor bepaalde tijd” zoals voorheen in richtlijn 91/383 en vervolgens in richtlijn 1991/70 - dus niet alle overeenkomsten voor bepaalde tijd willen omvatten. Een dergelijke uitlegging van de wil van de gemeenschapswetgever beantwoordt aan het streven het gemeenschapsrecht zoveel mogelijk uit te leggen op een wijze die de interne coherentie ervan eerbiedigt en verzekert. De uitdrukking “tijdelijke arbeidsovereenkomst of verhouding” in artikel 8, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 91/533 moet worden uitgelegd dat zij ziet op arbeidsovereenkomsten en verhoudingen voor korte tijd. Ingeval de regeling van een lidstaat niet in een dergelijke norm voorziet, staat het aan de nationale rechters deze tijdsduur in elk concreet geval te bepalen op basis van de specifieke kenmerken van bepaalde sectoren of bepaalde beroepen en activiteiten. Deze tijdsduur moet evenwel aldus worden vastgesteld dat de daadwerkelijke bescherming van de voor de werknemers uit deze richtlijn voortvloeiende rechten is verzekerd.