Naar boven ↑

Rechtspraak

Age Concern England/Secretary of State for Business, Enterprise and Regulatory Reform
Internationaal overig, 5 maart 2009
ECLI:EU:C:2009:128

Age Concern England/Secretary of State for Business, Enterprise and Regulatory Reform

The National Council on Ageing (Age Concern England) (hierna: “Age Concern England”) is een liefdadigheidsorganisatie die de bevordering van het welzijn van ouderen tot doel heeft. Met zijn beroep voor de verwijzende rechter betwist Age Concern England de geldigheid van Regulation 3 lid 1, Regulation 7 lid 4 en Regulation 30 van de Regulations, op grond dat zij geen correcte uitvoering geven aan richtlijn 2000/78. Hij voert in wezen aan dat de Regulations, door in Regulation 30 te voorzien in een uitzondering op het non-discriminatiebeginsel wanneer de reden voor het ontslag van een werknemer van 65 jaar of ouder pensionering is, artikel 6 lid 1 van Richtlijn 2000/78 en het evenredigheidsbeginsel schenden. De verwijzende rechter wenst in te vernemen of artikel 6 lid 1 van Richtlijn 2000/78 aldus moet worden uitgelegd, dat het van de lidstaten verlangt dat zij op specifieke wijze de soorten verschil in behandeling op grond van leeftijd noemen die zich aan het non-discriminatiebeginsel kunnen onttrekken. Uit de stukken blijkt dat deze vraag strekt tot vaststelling of genoemd artikel 6 lid 1 zich verzet tegen een bepaling zoals Regulation 3 van de Regulations, krachtens welke een verschil in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie oplevert wanneer vaststaat dat het gaat om een “evenredig middel om een legitiem doel te bereiken”. Daarnaast wenst de verwijzende rechter te vernemen of de voorwaarden waaraan artikel 6 lid 1 van Richtlijn 2000/78 een eventuele afwijking van het principiële verbod van discriminatie op grond van leeftijd onderwerpt, significant verschillen van die welke in artikel 2 lid 2 sub b van die Richtlijn worden genoemd met betrekking tot indirecte discriminatie. Age Concern England betoogt dat de in artikel 6 lid 1 van Richtlijn 2000/78 neergelegde rechtvaardigingscriteria strenger zijn dan die in artikel 2 lid 2.

Het Hof van Justitie oordeelt als volgt. Artikel 6 lid 1 van Richtlijn 2000/78 kan niet aldus worden uitgelegd, dat het de lidstaten verplicht in hun implementatiemaatregelen een specifieke lijst op te nemen van verschillen in behandeling die door een legitiem doel kunnen worden gerechtvaardigd. Overigens blijkt uit de bewoordingen van die bepaling dat de daarin bedoelde legitieme doelstellingen en verschillen in behandeling slechts een indicatieve waarde hebben, zoals wordt bevestigd door de door de gemeenschapswetgever gebruikte woorden “met inbegrip van”. Bijgevolg kan uit artikel 6 lid 1 van Richtlijn 2000/78 niet worden afgeleid dat een gebrek aan precisie van de nationale regeling met betrekking tot de doelstellingen die uit het oogpunt van die bepaling als legitiem kunnen worden beschouwd, automatisch zou uitsluiten dat deze regeling kan worden gerechtvaardigd op grond van die bepaling (zie in die zin voornoemd arrest Palacios de la Villa, punt 56). Bij ontbreken van een dergelijke precisie is het echter wel van belang dat het onderliggende doel van de betrokken maatregel kan worden bepaald aan de hand van andere elementen, ontleend aan de algemene context van de betrokken maatregel, zodat de legitimiteit ervan en het passende en noodzakelijke karakter van de ter bereiking van dit doel gebruikte middelen door de rechter kunnen worden getoetst (voornoemd arrest Palacios de la Villa, punt 57). Uit artikel 6 lid 1 van Richtlijn 2000/78 blijkt dat de doelstellingen die als “legitiem” in de zin van die bepaling zijn te beschouwen en bijgevolg kunnen rechtvaardigen dat wordt afgeweken van het principiële verbod van discriminatie op grond van leeftijd, doelstellingen zijn van sociaal beleid, zoals die in verband met het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding. Door hun karakter van algemeen belang onderscheiden die legitieme doelstellingen zich van louter individuele beweegredenen die eigen zijn aan de situatie van de werkgever, zoals de vermindering van de kosten of de verbetering van het concurrentievermogen, zonder dat echter valt uit te sluiten dat een nationale regel, bij het nastreven van die legitieme doelstellingen, de werkgever een zekere mate van flexibiliteit toekent.

Ten aanzien van de tweede vraag (de vijfde prejudiciële vraag) overweegt het Hof als volgt. Vastgesteld moet worden dat de respectieve werkingssferen van de artikelen 2 lid 2 sub b en 6 lid 1 van Richtlijn 2000/78 niet volledig samenvallen. Van zijn kant voert artikel 6 van Richtlijn 2000/78 voor verschillen in behandeling op grond van leeftijd een eigen uitzonderingsregeling in. Het staat immers toe ook direct onderscheid te rechtvaardigen (anders dan 2 lid 2 sub b). De verwijzende vraagt zich af of er een verschil is in de toepassing van de criteria neergelegd in artikel 2 lid 2 sub b van Richtlijn 2000/78, vergeleken met die van de criteria neergelegd in artikel 6 lid 1. Bij de beantwoording van deze vraag dient te worden beklemtoond dat deze laatste bepaling de lidstaten de mogelijkheid biedt, in het kader van de nationale wetgeving te bepalen dat sommige vormen van verschil in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie vormen indien zij “objectief en redelijk” worden gerechtvaardigd. Hoewel de term “redelijk” inderdaad niet voorkomt in artikel 2 lid 2 sub b van deze Richtlijn, is het niet denkbaar dat een verschil in behandeling zou kunnen worden gerechtvaardigd door een legitiem doel, bereikt met passende en noodzakelijke middelen, maar dat die rechtvaardiging niet redelijk zou zijn. Derhalve dient geen bijzonder belang te worden gehecht aan de omstandigheid dat die term enkel in artikel 6 lid 1 van deze Richtlijn is gebruikt. Benadrukt dient evenwel te worden, dat deze laatste bepaling tot de lidstaten is gericht en hun, ondanks de ruime beoordelingsvrijheid waarover zij op het gebied van het sociaal beleid beschikken, ermee belast het legitieme karakter van het nagestreefde doel met een hoge bewijsdrempel vast te stellen.

  • Instantie: Internationaal overig
  • ECLI: ECLI:EU:C:2009:128
  • Roepnaam: Age Concern England/Secretary of State for Business, Enterprise and Regulatory Reform
  • Zaaknummer: C-388/07
  • Nummer: AR-2009-0162
  • Wetsartikelen: 2 lid 2 sub a, sub b Richtlijn 2000/78 en 6 Richtlijn 2000/78
  • Onderwerpen: Einde van rechtswege (7:667 BW) en Leeftijd (WGBL)
  • Trefwoorden: Gelijke behandeling leeftijd, Pensioenontslag, Legitiem doel, Rechtvaardigingsgronden, Verhouding indirect onderscheid en Verhoogde bewijsdrempel