Naar boven ↑

Rechtspraak

Kern

Werkneemster is op 1 maart 1988 in dienst getreden van M/VC. Zij was gedurende 25 uur per week werkzaam op de financiële administratie en werkte niet op vrijdag. Op 1 februari 2002 heeft de werkgever een bedrijfsuitje georganiseerd, onder meer bestaande uit het dansen op rolschaatsen. Werkneemster is tijdens dit uitje gevallen en lijdt schade (gebroken pols en daarna posttraumatische dystrofie). Zij heeft M/VC aansprakelijk gesteld voor de schade primair op grond van artikel 7:658 BW, subsidiair op grond van 7:611 BW, dan wel 6:162 jo. 6:76 BW. De kantonrechter heeft de vorderingen van werkneemster afgewezen. Het hof overwoog dat ongenoegzaam was gebleken dat werkneemster in de uitoefening van haar werkzaamheden was, maar dat de subsidiaire vordering toewijsbaar was. Het hof overwoog ondermeer dat er wel degelijk sprake is van een functionele band, ook al was deelname aan het bedrijfsuitje niet verplicht. Door een bedrijf in te huren (Groovy Company) welke zelf geen aansprakelijkheidsverzekering heeft, terwijl sprake is van een risicovolle bezigheid (schaatsen op een marmervloer zonder bescherming) heeft M/VC de eisen van het goed werkgeverschap geschonden, aldus het hof. Tegen dit oordeel hebben M/VC en werkneemster beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. In de diverse onderdelen van het middel wordt, onder meer, geklaagd (kort gezegd) dat de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen dat M/VC haar verplichting zich te gedragen als een goed werkgever als in art. 7:611 BW bedoeld, heeft geschonden. Bij de beoordeling van deze klacht wordt vooropgesteld dat het hof de vordering, voor zover gebaseerd op art. 7:658 BW, heeft afgewezen op de grond dat niet kan worden gezegd dat het ongeval zich heeft voorgedaan in de uitoefening van de werkzaamheden van werkneemster, omdat een voldoende nauwe band tussen de uitoefening van de door haar te verrichten werkzaamheden en de festiviteit ontbreekt. Als uitgangspunt heeft derhalve te gelden dat het ongeval dat werkneemster tijdens de festiviteit is overkomen niet kan uitmonden in aansprakelijkheid van M/VC op de voet van art. 7:658. Evenwel kan een werkgever ook aansprakelijk zijn voor de schadelijke gevolgen van een aan zijn werknemer buiten de uitoefening van diens werkzaamheden overkomen ongeval, indien die schade (mede) is ontstaan doordat de werkgever, beoordeeld naar de bijzondere omstandigheden van het geval, zich niet overeenkomstig art. 7:611 BW heeft gedragen als een goed werkgever. Daarbij geldt dat een werkgever die voor zijn personeel een activiteit organiseert of doet organiseren waaraan een bijzonder risico op schade voor de deelnemende werknemers verbonden is, uit hoofde van de eisen van goed werkgeverschap gehouden is de ter voorkoming van die schade redelijkerwijs van hem te verlangen zorg te betrachten. Anders dan het geval is bij toepasselijkheid van art. 7:658, gelden dan geen bijzondere regels omtrent bewijslastverdeling en eigen schuld van de werknemer. Gelet op het voorgaande heeft het hof zeer wel kunnen oordelen dat een zodanige samenhang bestaat tussen de activiteit in het kader waarvan het ongeval plaatsvond en de arbeidsovereenkomst, dat ten aanzien van die activiteit voor M/VC een op eisen van goed werkgeverschap gebaseerde zorg- en preventieplicht bestond die zij niet is nagekomen, zodat schending van die plicht tot haar aansprakelijkheid leidt voor de schadelijke gevolgen van het ongeval op de voet van art. 7:611 in verbinding met art. 6:74 BW. Dat oordeel is ook voldoende gemotiveerd.

Volgt verwerping van het principale cassatieberoep.

(Red.: In de conclusie van A-G Spier wordt een aantal interessante aspecten belicht, waaronder de Europese dimensie en het verzekeringsaspect. In het bijzonder gaat hij in op de uitsluiting van aansprakelijk op grond van 7:611 BW in verzekeringspolissen en de gevolgen voor de werkgever/werknemer/verzekeraar. Wat dit laatste betreft overweegt de A-G het volgende.

“5.7.1 Bij deze stand van zaken verdient het, gelet op hetgeen onder 5.1-5.4 is geschetst, m.i. de voorkeur om voorzichtigheid te betrachten bij het voor oude gevallen al te ver uitbouwen van de op art. 7:611 BW gebaseerde aansprakelijkheid. Ik heb daar in eerdere conclusies al uitvoerig op gewezen. Het wordt hierna nader uitgewerkt. Veeleer ligt in de rede om in twijfelgevallen aansprakelijkheid te gronden op art. 7:658 BW. Het voordeel daarvan is evident. Aansprakelijkheid valt dan onder de gangbare AVB-dekking wat zowel in het belang van werkgevers als werknemers is. 5.7.2 Verzekeraars zullen deze benadering wellicht verketteren. Zij zouden dan evenwel over het hoofd zien dat:

  • de onder 5.7.1 genoemde benadering alleszins in de lijn der verwachtingen lag;
  • het op macro-schaal allicht niet om hele grote aantallen gaat;
  • veruit de meeste AVB-polissen op claims made basis zijn geschoeid.(19) Dat brengt mee dat zij voor komende jaren ofwel de premie kunnen verhogen of de dekking voor aansprakelijkheid krachtens art. 7:658 BW kunnen aanpassen indien en voor zover daartoe naar hun oordeel aanleiding bestaat. Wanneer werkgevers geen behoefte hebben aan de nieuwe (in dat geval allicht versmalde) dekking of de premie te hoog vinden, kunnen ze de verzekeringsband slaken in welk geval de verzekeraar geen risico meer loopt voor “oude schades”.
  • Kortom: (ook) voor verzekeraars is de geschetste weg niet in relevante mate nadelig.”

    Ten slotte houdt de A-G wederom een pleidooi voor wijziging van het aansprakelijkheidsstelsel (uitgangspunt aansprakelijkheid via verzekering tot bedrag van 1 miljoen, daarna 658 voor restschade), ditmaal met een overgangstermijn van 3 jaar zodat de wetgever kan ingrijpen indien gewenst. Zie overweging 9.3.1 e.v.)