Rechtspraak
werkgever/werknemer
Werknemer heeft op 5 december 2001 samen met een collega sloopwerkzaamheden verricht aan een voormalige brandweerkazerne. Werknemer heeft tijdens deze sloopwerkzaamheden zogenoemde ijzeren trekstaven doorgeslepen om te bewerkstelligen dat hij de houten vliering, die zich onder de trekstangen bevond, kon verwijderen. Daarbij is het betonnen dak ingestort als gevolg waarvan werknemer ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen. De kantonrechter en het hof hebben de werkgever aansprakelijk geacht voor de schade wegens het schenden van de op hem rustende waarschuwingsplicht met betrekking tot het doorslijpen van dergelijke trekstangen. In cassatie voert werkgever het verweer dat de causaliteit tussen de schending van de zorgplicht en het ongeval ontbreekt. Werknemer zou zo gebrand zijn op het verwijderen van de houten vliering (voor zichzelf) dat hij de waarschuwing in de wind zou hebben geslagen.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. Het verweer kan opgaan indien zou moeten worden aangenomen dat, ook indien werkgever werknemer zou hebben gewaarschuwd dat het doorslijpen van de trekstangen gevaarlijk was in verband met het daardoor geschapen risico van instorting (van de betonnen dakkoepel) en/of hem in verband daarmee dat doorslijpen zou hebben verboden, werknemer de trekstangen zou hebben doorgeslepen. Hetgeen de collega-werknemer aan werknemer heeft meegedeeld in verband met het doorslijpen van de trekstangen had echter geen betrekking op het aan het doorslijpen verbonden gevaar van instorting van het dak. Werknemer kon zich dan ook niet van dat gevaar bewust zijn op grond van wat collega-werknemer hem had gezegd. Aldus is de hoofdpijler onder het causaliteitsverweer weggevallen en nu het hof heeft vastgesteld dat ook geen andere feiten en omstandigheden zijn gesteld waaruit kan volgen dat werknemer zich van het instortingsgevaar bewust was, moet worden geconcludeerd dat werkgever onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit de gegrondheid van dat verweer zou kunnen volgen. Immers, de enkele omstandigheid dat werknemer erop gebrand was de houten planken van de vlieringvloer onbeschadigd in handen te krijgen, is daartoe onvoldoende, reeds omdat het (naar algemene ervaringsregels) niet aannemelijk is dat die omstandigheid voldoende is om aan te nemen dat werknemer bewust het risico zou hebben genomen van instorting van het dak met de voorzienbare kans op ernstig letsel als gevolg daarvan.
Volgt verwerping van het cassatieberoep.