Rechtspraak
Pallas/werkneemster
Werkneemster is voor onbepaalde tijd als leerkracht in dienst van Pallas. Pallas verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst zonder toekenning van een vergoeding op grond van disfunctioneren en verlies van vertrouwen in werkneemster. Pallas is van mening dat werkneemster ongeschikt is voor de functie van leerkracht omdat Pallas door de jaren heen met diverse klachten over werkneemster is geconfronteerd en de intensieve begeleiding van werkneemster geen verbetering van het functioneren heeft opgeleverd. Gebleken is dat een aanzienlijk aantal leerlingen de klas heeft verlaten in verband met het functioneren van werkneemster en leerlingen uit haar klas met een leerachterstand kampen. Pallas voert als subsidiaire grond aan dat als gevolg van de houding van werkneemster het vertrouwen in haar verloren is gegaan. Zij blijkt immers (ondanks alle pogingen tot verbeteringen) niet in staat of bereid te zijn haar werkwijze aan te passen.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Pallas heeft haar stellingen volstrekt onvoldoende onderbouwd. In de eerste plaats is het ongeloofwaardig dat Pallas de opvatting ingang wil doen vinden dat werkneemster van de aanvang af niet geschikt zou zijn voor haar functie van leerkracht. Werkneemster heeft na haar tijdelijke aanstelling een vaste benoeming gekregen. Om zes jaar later tegenover de kantonrechter te betogen dat werkneemster ten enenmale niet geschikt zou zijn als leerkracht, is op zijn minst curieus en doet twijfelen aan de bekwaamheid waarmee Pallas eerstens haar personeel selecteert en vervolgens haar personeelsbeleid vormgeeft. Bovendien staaft Pallas haar stellingen niet met gehouden functioneringsgesprekken waarin werkneemster gewezen is op tekortkomingen en waarin verbeterpunten verwerkt zijn.
Ten aanzien van de verstoorde arbeidsverhouding oordeelt de kantonrechter als volgt. Pallas heeft het niet of niet goed functioneren van werkneemster als leerkracht binnen haar school voornamelijk zo niet geheel gebaseerd op klachten van ouders. Het is dan ook niet verwonderlijk dat werkneemster zich ook tot ouders (volgens Pallas ‘derden’) heeft gewend om aan te tonen dat haar functioneren binnen de school goed was, althans weinig te wensen overliet, dan wel om juist te vernemen wat er aan mankeerde. Niet gebleken is dat werkneemster zich in dat kader zodanig negatief uitgelaten heeft over de school of de leiding van de school, dat zij (en niet anderen) verantwoordelijk te houden is (zijn) voor ‘verstoring’ van de arbeidsverhouding. Als er al sprake is van een zekere stoornis, is het veeleer Pallas die bij de ouders onrust verwekt heeft, door onduidelijk en onvoorspelbaar optreden en door een gebrek aan concreetheid. De verhoudingen tussen partijen zijn door de non-actiefstelling, de bemoeienis van ouders met de ontslagzaak en het weinig doortastende optreden van Pallas flink onder druk komen te staan. Desondanks rechtvaardigt dit geen ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Volgt afwijzing van het ontbindingsverzoek.