Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 27 juli 2011
ECLI:NL:RBHAA:2011:BR4507
werkneemster/Kappé
Werkneemster is sinds 1980 in dienst van Kappé. Op de arbeidsovereenkomst is het huishoudelijk reglement van toepassing, waarin onder meer is bepaald dat het zonder schriftelijke toestemming van een leidinggevende niet is toegestaan om demonstratiemateriaal of proefmonsters mee te nemen. Van 27 juli 2009 tot 17 augustus 2009 heeft Kappé camerabeelden gemaakt van het personeel, waarop ook werkneemster te zien is. Vanaf 17 augustus 2009 zijn de camerabeelden gedurende drie dagen bestudeerd. Vanaf 25 augustus 2009 tot en met 15 september 2009 is de medewerker van het particuliere recherchebureau dat onderzoek doet naar de camerabeelden met vakantie. Werkneemster is van 5 september 2009 tot 21 september met vakantie. Zij is op 22 september 2009 op staande voet ontslagen. Uit camerabeelden is volgens Kappé gebleken dat werkneemster een tas met Gifts in haar persoonlijke locker heeft verstopt. Bovendien heeft werkneemster verklaard diverse keren Gifts te hebben meegenomen, waardoor meerdere malen het huishoudelijk reglement is overtreden. Werkneemster vordert vernietiging van het ontslag op staande voet. Zij stelt dat het niet onverwijld is gegeven en dat geen sprake is van een dringende reden. Kappé beroept zich op rechtsverwerking.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De enkele omstandigheid dat werkneemster niet eerder is overgegaan tot het instellen van haar vordering is onvoldoende om rechtsverwerking aan te nemen. Dit geldt temeer nu als onbetwist vaststaat dat werkneemster in 2009 en 2010 meerdere keren heeft aangekondigd voornemens te zijn een kortgedingprocedure te starten. Partijen verschillen vervolgens van mening over het antwoord op de vraag of het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven en of er sprake is van een dringende reden. De kantonrechter is van oordeel dat Kappé in dit geval niet voortvarend genoeg heeft gehandeld. Kappé wist al op 25 augustus 2009 (de datum waarop de medewerker van het recherchebureau op vakantie ging) dat er op grond van camerabeelden aanleiding was om verder onderzoek te doen naar gedragingen van werkneemster en met haar een gesprek te voeren. Kappé heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat zij werkneemster in de periode van 25 augustus 2009 tot 22 september 2009 – hangende het onderzoek – heeft geschorst of anderszins maatregelen jegens werkneemster heeft genomen dan wel dat Kappé in deze periode nader onderzoek heeft gedaan. Integendeel: werkneemster heeft tot 5 september 2009, de dag waarop haar vakantieverlof inging, op de gebruikelijke wijze bij Kappé gewerkt. Nu Kappé in de jegens werkneemster gerezen verdenking geen aanleiding zag haar daar direct op aan te spreken, haar andere werkzaamheden te laten verrichten dan wel haar te schorsen of anderszins maatregelen tegen haar te nemen, was de verdenking die op werkneemster was komen te rusten voor Kappé kennelijk niet een zo dringende reden dat dit een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Kappé aldus niet voortvarend genoeg gehandeld. Het gegeven ontslag op staande voet is derhalve nietig.