Naar boven ↑

Rechtspraak

Trajekt/OR
Rechtbank Limburg, 24 juni 2011
ECLI:NL:RBMAA:2011:BR4391

Trajekt/OR

OR heeft op grond van overeenkomst instemmingsrecht ten aanzien van regeling over drie extra verlofdagen

Bij brief van 6 juli 2009 heeft Trajekt de OR medegedeeld dat zij op korte termijn conform de bepalingen van artikel 27 lid 1 sub b WOR instemming van de OR wil verkrijgen voor haar voorgenomen besluit om 'de huidige z.g. CAO dagen (zijnde de 3 jaarlijkse verlofdagen die buiten de CAO bepalingen om worden toegekend) vanaf 2010 af te schaffen'. De OR heeft instemming geweigerd. Trajekt deelt de OR vervolgens mee dat het toekennen van buitengewoon verlof geen instemming behoeft en dat per jaar zal worden bekeken of het verlof wordt toegekend. Zij verwijst dienaangaande naar een arrest van de Hoge Raad van 11 februari 2000 (JAR 2000/86). Trajekt stelt dat de OR ook geen instemmingsrecht toekomt op grond van een ondernemingsovereenkomst ex artikel 32 WOR. De OR is van mening dat er met betrekking tot de betreffende verlofdagen wel instemmingsrecht is op grond van de ondernemingsovereenkomst.

De kantonrechter oordeelt als volgt. In het algemeen heeft de OR geen instemmingsrecht ten aanzien van een regeling met betrekking tot toekenning of wijziging van vrije dagen en/of verlof ten aanzien van alle of een groep in de onderneming werkzame personen. Een dergelijke regeling ziet immers op de arbeidsduur en moet derhalve gerekend worden tot de primaire arbeidsvoorwaarden. In dit verband heeft Trajekt terecht verwezen naar het door haar aangehaalde arrest van de Hoge Raad. Cruciaal is de vraag of de OR instemmingsrecht verleend is voor de drie extra verlofdagen op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst. De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Trajekt heeft in 2003, 2004 en tweemaal in 2009 de OR schriftelijk, ondubbelzinnig en zonder enig voorbehoud verzocht om instemming te verlenen voor respectievelijk het invoeren van de regeling, het tijdelijk 'bevriezen' van de regeling in 2005 en het opheffen van de regeling in 2010. Nu de OR in ieder geval in 2004 en in 2009 schriftelijk gereageerd heeft op de verzoeken van de bestuurder, is er naar het oordeel van de kantonrechter sprake van een schriftelijke overeenkomst, aangezien zowel het aanbod als de aanvaarding op schrift gesteld is. Er is derhalve sprake van een overeenkomst als bedoeld in artikel 32 lid 2 WOR op grond waarvan partijen overeengekomen zijn dat de OR instemmingsrecht heeft ten aanzien van de regeling van de drie 'extra verlofdagen'. Het schriftelijkheidsvereiste in artikel 32 lid 2 WOR sluit een bindende mondelinge afspraak op dit onderdeel overigens niet uit en is ook geen bestaansvoorwaarde voor een overeenkomst. Weliswaar heeft het instemmingsrecht zoals opgenomen in artikel 27 WOR, gelet op de wetsgeschiedenis, geen betrekking op primaire arbeidsvoorwaarden, maar dit laat onverlet dat het Trajekt en de OR vrijstond overeen te komen dat de OR een instemmingsrecht ten aanzien van de drie 'extra verlofdagen' toekomt. De uitzondering van artikel 32 lid 3 WOR is in dit geval niet van toepassing.