Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/SBM
Rechtbank Rotterdam, 27 juli 2011
ECLI:NL:RBROT:2011:BR7052

werknemer/SBM

Toewijzing vordering van meer dan € 1,8 miljoen vanwege niet nakomen schriftelijk toegezegde 'performance shares' aan statutair bestuurder. Beroep op onbevoegdheid, code-Tabaksblat en redelijkheid en billijkheid falen

Werknemer is van 1977 tot 2004 in dienst geweest van SBM. Vanaf 1996 heeft hij als statutair bestuurder de functie van financieel directeur bekleed. Nadat werknemer in 2004 met vervroegd pensioen is gegaan, heeft hij zich nog wel op projectmatige basis voor SBM ingezet. Bij brief van 22 juli 2005 zijn aan werknemer 'bonus shares' en 'performance shares' toegekend. SBM heeft geweigerd deze aandelen ('performance shares') op de uiterste datum aan werknemer over te dragen. Werknemer stelt dat SBM hiermee tekortschiet in haar verplichtingen en vordert vergoeding van de schade die hij als gevolg daarvan lijdt (€ 1.820.967,60). SBM stelt dat de verwijzing naar het long term incentive plan (LTIP) in de brief van 22 juli 2005 berust op een evidente vergissing, omdat het LTIP op het moment van inwerkingtreding (1 januari 2005) slechts geldt voor personen die bij SBM in dienst zijn, hetgeen werknemer wist. Bovendien was de CEO die het besluit als opgetekend in de brief van 22 juli 2005 heeft genomen niet bevoegd, aangezien het besluit moet worden aangemerkt als bezoldigingsbesluit ex artikel 2:135 BW. Daarnaast beroept SBM zich nog op de code-Tabaksblat, de redelijkheid en billijkheid, en dwaling.

De rechtbank beantwoordt de vraag of werknemer aanspraak kan maken op de 'performance shares', die op grond van het LTIP bij brief van SBM van 22 juli 2005 aan hem zijn toegekend, bevestigend. Voor wat betreft de bezoldiging van een statutair bestuurder heeft SBM in overeenstemming met de wet en haar statuten gehandeld. Immers, artikel 2:135 BW luidde tot 1 oktober 2004: 'Voor zover bij de statuten niet anders is bepaald, wordt de bezoldiging van bestuurders door de algemene vergadering vastgesteld.' SBM had destijds in haar statuten bepaald dat de RvC de arbeidsvoorwaarden van de directeuren vaststelt. De RvC heeft de beloning voor werknemer vastgesteld en gedelegeerd aan het bestuur. Op 20 mei 2005 heeft de AVA het LTIP aangenomen. Ook het LTIP is in overeenstemming met de wet en de statuten tot stand gekomen. Voorts was de CEO wel degelijk bevoegd SBM te vertegenwoordigen ten aanzien van de toegekende 'performance shares'. Het uitgangspunt dat de vennootschap wordt vertegenwoordigd door het bestuur ex artikel 2:130 BW is ook in de statuten van SBM neergelegd. Daar komt bij dat de brief van 22 juli 2005 niet was aan te merken als bezoldigingsbesluit, omdat werknemer toen geen bestuurder meer van SBM was. Er is vervolgens naar het oordeel van de rechtbank geen enkele aanknoping voor de stelling van SBM dat de betreffende statutair bestuurder nog in dienst moet zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het LTIP. Ook de overige verweren van SBM slagen niet. Voor zover de 'performance shares' strijdig zijn met de code-Tabaksblat, is dat een omstandigheid die voor risico van SBM komt. SBM heeft verder geen feiten of omstandigheden gesteld die tot het oordeel kunnen leiden dat toepassing van het LTIP naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Volgt toewijzing van de vordering.