Rechtspraak
werknemer/werkgever
Werknemer is tot februari 1997 werkzaam geweest in een parkeergarage die werd geëxploiteerd door bedrijf B. Werkgever heeft de exploitatie overgenomen. Omdat de huurovereenkomst van het pand is opgezegd, is de arbeidsovereenkomst van werknemer na verkregen toestemming op 9 december 2009 opgezegd per 1 februari 2010. Thans vordert werknemer gefixeerde schadevergoeding en schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag.
De kantonrechter oordeelt dat aannemelijk is dat in 1997 een overgang van onderneming heeft plaatsgevonden. Er had derhalve op grond van artikel 7:672 BW een opzegtermijn van drie maanden in acht moeten worden genomen. De gefixeerde schadevergoeding wordt toegewezen. Op grond van onder meer de leeftijd van werknemer, duur van het dienstverband, eenzijdige werkervaring, ontbreken van scholing, afwezigheid van een financiële voorziening en het niet nakomen van de afspraak dat de arbeidsovereenkomst tot 1 april 2010 zou worden voortgezet, wordt geoordeeld dat het ontslag kennelijk onredelijk is. De schadevergoeding zal door de kantonrechter worden berekend op de voet van artikel 6:97 e.v. BW, omdat deze niet nauwkeurig valt te bepalen. Een schadevergoeding van € 15.000 bruto (een aanvulling van ongeveer 30% van het salaris over 24 maanden) is redelijk te achten. Voor een verdere schadevergoeding voor de pensioenschade is geen aanleiding, omdat daartoe te weinig door werknemer is gesteld.