Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Rotterdam, 19 september 2011
ECLI:NL:RBROT:2011:BU5683

werknemer/werkgeefster

Ontbindingsverzoek werknemer na intrekking verzoek werkgever wegens ernstig verstoorde arbeidsrelatie. Kantonrechter niet zonder meer gebonden aan oordeel eerdere procedure. Onredelijk en krenkend handelen werkgever leidt tot C=1,7

Werknemer is sinds 1980 werkzaam bij werkgeefster, laatstelijk in de functie van Verkoper Binnendienst. In november 2010 is werknemer te kennen gegeven dat zijn functie wegens bedrijfseconomische redenen komt te vervallen en hij dientengevolge op non-actief zal worden gesteld. Op verzoek van werkgeefster is de arbeidsovereenkomst bij beschikking van 12 juli 2011 ontbonden onder toekenning van een vergoeding van € 95.000. Werkgeefster heeft het ontbindingsverzoek ingetrokken. Thans verzoekt werknemer ontbinding onder toekenning van een vergoeding van € 95.000. Hij stelt dat sprake is van een ernstig verstoorde arbeidsrelatie. Na intrekking van het verzoekschrift heeft werkgeefster geen enkele substantiële en geloofwaardige poging gedaan om de vertrouwensrelatie tussen partijen te herstellen.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Dat een voor een zinvolle invulling van de arbeidsovereenkomst vereiste vertrouwensbasis ontbreekt, is meer dan aannemelijk gemaakt. Het ontbindingsverzoek zal derhalve worden toegewezen. Ten aanzien van de vergoeding wordt overwogen dat de kantonrechter niet zonder meer gebonden is aan de overwegingen van de kantonrechter in de andere procedure. Van een automatisme dat na intrekking van een werkgeversverzoek, op een werknemersverzoek een zelfde vergoeding zou moeten volgen, kan geen sprake zijn. Dit zou immers het recht van intrekking van het verzoek (artikel 7:685 lid 9 BW) illusoir maken.

Werkgeefster heeft niet aannemelijk gemaakt dat een reëel perspectief op een genormaliseerde en vruchtbare arbeidsrelatie is ontstaan na de intrekking van haar verzoek. De wijze waarop werknemer in het recente verleden is behandeld is dermate onredelijk en krenkend geweest dat werkgeefster in redelijkheid niet kon verwachten dat werknemer opnieuw vertrouwen kon krijgen in een zinvolle voortzetting van de arbeidsovereenkomst alsof er niets was gebeurd. Het weer welkom heten van werknemer, na hem eerst ruim acht maanden zonder goede reden op non-actief te hebben gesteld en de eerdere weigering om hem tot zijn eigen werkzaamheden toe te laten, is ongeloofwaardig en een gepasseerd station. De bedrijfseconomische omstandigheden die door werkgeefster aan het door haar ingediende verzoek ten grondslag zijn gelegd zullen in dit kader niet nader worden besproken, nu het gaat om de vraag of er sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie. Gezien de ernst en de mate waarin werkgeefster het ontstaan van de ontbindingsgrond wordt verweten, wordt de correctiefactor vastgesteld op C=1,7 (afgerond € 95.000 bruto).