Naar boven ↑

Rechtspraak

KHS AG/Schulte
Hof van Justitie van de Europese Unie, 22 november 2011

KHS AG/Schulte

Vakantierechten van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer komen na 15 maanden voor verval in aanmerking. Toetsen aan doel van vakantieverlof en ILO-verdrag. Nuancering Schultz-Hoff

Schulte was vanaf april 1964 als bankwerker in dienst bij KHS. In 2002 heeft Schulte een hartinfarct gekregen en is sindsdien zwaar gehandicapt. In augustus 2008 wordt het dienstverband beëindigd. Schulte vordert thans uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen over de jaren 2006-2008. KHS stelt zich op het standpunt dat de aanspraken op vakantiedagen zijn komen te vervallen, vanwege het verstrijken van de overdrachtsperiode van drie respectievelijk twaalf maanden (wegens arbeidsongeschiktheid). De verwijzende rechter constateert dat het recht van Schulte op vakantie voor 2006 op basis van paragraaf 11 lid 1 derde alinea EMTV per 31 maart 2008 is vervallen. In het arrest van 20 januari 2009 (Schultz-Hoff e.a., C-350/06 en C-520/06, Jurispr. blz. I-179) heeft het Hof evenwel verklaard dat het verval van het recht op vakantie na het einde van de referentieperiode of de overdrachtstermijn weliswaar verenigbaar is met artikel 7 lid 1 van Richtlijn 2003/88, maar enkel onder de voorwaarde dat de betrokken werknemer daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om van het hem door de richtlijn verleende recht gebruik te maken. Niettemin twijfelt de verwijzende rechter of hij in een geval als het onderhavige de nationale bepalingen wegens schending van artikel 7 lid 1 van Richtlijn 2003/88 buiten toepassing moet laten. Feitelijk acht de verwijzende rechter het niet zeker dat het Hof zich in het arrest Schultz-Hoff e.a. ook heeft uitgesproken over de vraag of artikel 7 lid 1 van Richtlijn 2003/88 langdurig zieke werknemers de mogelijkheid van een in de tijd onbeperkte cumulering van vakantierechten toekent. Hij wijst erop dat zonder begrenzing in de tijd Schulte recht zou hebben op vergoeding van 60 vakantiedagen. Indien Schulte voor de hele duur van zijn arbeidsongeschiktheid aanspraak op zijn vakantiedagen had gemaakt, zou hij zelfs recht hebben gehad op vergoeding van 140 dagen. De verwijzende rechter wenst dan ook te vernemen of bij meerjarig ziekteverlof vakantieaanspraken onbeperkt kunnen cumuleren (zie conclusie A-G onder AR 2011-548).

Het Hof van Justitie oordeelt als volgt. Het positieve effect van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon op de veiligheid en de gezondheid van de werknemer doet zich ten volle gevoelen wanneer deze vakantie in het daartoe voorziene jaar, te weten het lopende jaar, wordt genomen, maar deze rusttijd niet aan belang inboet wanneer hij in een volgende periode wordt genomen (arrest van 6 april 2006, Federatie Nederlandse Vakbeweging, C-124/05, Jurispr. blz. I-3423, en arrest Schultz-Hoff e.a.). Niettemin dient te worden vastgesteld dat het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon dat door een arbeidsongeschikte werknemer gedurende meerdere opeenvolgende referentieperioden wordt verworven, enkel beantwoordt aan de twee doelstellingen ervan die in punt 31 van het onderhavige arrest zijn vermeld voor zover de overdracht een bepaalde tijdsgrens niet overschrijdt. Voorbij die grens heeft de jaarlijkse vakantie immers geen positief effect meer voor de werknemer als tijd om uit te rusten, en behoudt enkel haar eigenschap als periode van ontspanning en vrije tijd. Op dit punt dient bovendien te worden opgemerkt dat volgens artikel 9 lid 1 van verdrag nr. 132 van de Internationale Arbeidsorganisatie van 24 juni 1970 betreffende de jaarlijkse vakantie met behoud van loon (zoals herzien) het ononderbroken gedeelte van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon dient te worden toegekend en opgenomen niet later dan één jaar en de rest van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon niet later dan achttien maanden na het einde van het jaar ten aanzien waarvan het recht op vakantie is ontstaan. Deze regel kan aldus worden begrepen dat hij is gebaseerd op de overweging dat bij het verstrijken van de gestelde termijnen het doel van het recht op vakantie niet meer volledig kan worden verwezenlijkt. Gelet op het feit dat Richtlijn 2003/88 volgens de zesde overweging van de considerans ervan rekening heeft gehouden met de beginselen van de Internationale Arbeidsorganisatie ter zake van de organisatie van de arbeidstijd, moet derhalve bij de berekening van de overdrachtsperiode rekening worden gehouden met het doel van het recht op jaarlijkse vakantie, zoals dit voortvloeit uit artikel 9 lid 1 van dat verdrag. Gelet op een en ander kan redelijkerwijs worden overwogen dat een periode van overdracht van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon van vijftien maanden, zoals in het hoofdgeding, niet voorbijgaat aan het doel van dat recht, daar zij verzekert dat dit recht zijn positief effect voor de werknemer als tijd om uit te rusten behoudt. Bijgevolg dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 7 lid 1 Richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan nationale bepalingen of gebruiken, zoals collectieve arbeidsovereenkomsten, die de cumulatie van rechten op jaarlijkse vakantie met behoud van loon van een gedurende meerdere opeenvolgende referentieperioden arbeidsongeschikte werknemer beperken door middel van een overdrachtsperiode van vijftien maanden bij het verstrijken waarvan het recht op dergelijke vakantie vervalt.

  • Onderwerpen: Vakantie
  • Trefwoorden: vakantieverlof, verval, doel van vakantieverlof en ILO