Rechtspraak
werkgever/werknemer
Werknemer is sinds 2005 in dienst als beheerder op een recreatiecentrum. In de vacature was destijds vermeld dat de beheerder bij een vaste aanstelling verplicht is om in W te wonen. In 2007 en 2010 is werknemer uitstel verleend van zijn verhuisplicht wegens privéomstandigheden. Werkgever heeft te kennen gegeven toch aan de verhuisplicht vast te willen houden. Werknemer weigert te verhuizen. Thans verzoekt werkgever ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsrelatie. Ten aanzien van de vergoeding wordt overwogen dat door het tijdsverloop van zeven jaar, waarin werknemer zijn functie naar behoren heeft uitgevoerd zonder dat hij in W woonachtig was, bij werknemer de verwachting is gewekt dat de verhuisplicht niet zo’n harde eis meer was. Werknemer is voorts niet aangesproken op of gehouden aan zijn verhuisplicht toen hij een stacaravan kocht op het recreatieterrein met de bedoeling daarin tijdens het hoogseizoen te verblijven. De gestelde noodzaak dat werknemer in W zou moeten wonen is in deze procedure onvoldoende aangetoond. Door na verloop van zeven jaren alsnog vast te houden aan het verhuisbeding heeft werkgever een wezenlijke bijdrage gehad in het ontstaan van de verstoorde verhoudingen. Alle omstandigheden in aanmerking genomen wordt een vergoeding met C=1,5 toegekend.