Rechtspraak
werknemer/werkgever
Vanaf 19 december 2000 heeft werknemer een onderneming geëxploiteerd in de handel en reparaties van personenauto’s. Op 29 december 2010 heeft werknemer zijn onderneming aan werkgever overgedragen. In januari 2011 is werknemer in dienst getreden als technisch bedrijfsleider. In de arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding overeengekomen. In februari 2012 heeft werknemer zich ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft vastgesteld dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek. Werkgever heeft vanaf februari 2012 geen loon meer betaald. Thans vordert werknemer loon en schorsing van het concurrentiebeding.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het door de bedrijfsarts opgestelde rapport bied onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat er sprake is van ziekte in de zin van art. 7:629 BW. Het deskundigenrapport van het UWV geeft geen aanleiding tot een ander oordeel, zodat de loonvordering wordt afgewezen.
Ook de vordering tot schorsing van het concurrentiebeding wordt afgewezen. Van schadeplichtigheid inzake de beëindiging van de arbeidsovereenkomst is niet gebleken en van onbillijke benadeling van werknemer is evenmin sprake. Werknemer behoudt zijn mogelijkheden om buiten een straal van twintig kilometer van de vestigingsplaats van werkgever werkzaamheden te verrichten en het beding geldt slechts voor de periode van een jaar vanaf de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dat werknemer relatief kort tevoren zijn onderneming tegen een symbolische prijs aan werkgever heeft overgedragen, maakt op zich ook nog niet dat werknemer onbillijk door het concurrentiebeding wordt benadeeld. Dit is mogelijkerwijs slechts het geval indien werkgever geen reële prijs voor de onderneming heeft betaald. Dit kan in deze procedure, gelet op haar aard, niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld.