Naar boven ↑

Rechtspraak

FNV Bondgenoten/Albert Heijn BV
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 11 mei 2012
ECLI:NL:RBHAA:2012:BW5550

FNV Bondgenoten/Albert Heijn BV

Uit het tussen de vakbonden en Albert Heijn na het expireren van de Distributie-cao gesloten Onderhandelingsresultaat kan niet worden afgeleid dat partijen bij het sluiten daarvan de bedoeling hebben gehad om de in eerdere Distributie-cao's neergelegde verplichting van Albert Heijn tot verlaging van het percentage uitzendkrachten in haar distributieorganisatie onverkort in stand te laten. Geen nawerking obligatoire cao-bepalingen

Tussen enerzijds FNV (en CNV Dienstenbond) en anderzijds (de distributieorganisatie van) Albert Heijn zijn verschillende Distributie-cao's gesloten. In een bijlage bij de Distributie-cao 2007-2008 is in het Protocol Uitzendkrachten bepaald dat Albert Heijn het percentage uitzendkrachten in de distributieorganisatie verlaagt tot maximaal 26% per juli 2007 en 23% per juli 2008. In de bijlage van de Distributie-cao 2009-2010 is dezelfde bepaling opgenomen met de toevoeging dat ten aanzien van het percentage uitzendkrachten in de distributiecentra de praktijk in de jaren voorafgaand aan de ingangsdatum van de Distributie-cao 2009-2010 wordt bestendigd voor de looptijd van deze cao. De Distributie-cao 2009-2010 is na het einde van de looptijd daarvan niet verlengd. Het op 17 december 2010 tussen de bonden en Albert Heijn gesloten Onderhandelingsresultaat heeft niet tot een nieuwe cao geleid. Thans vordert FNV Albert Heijn te veroordelen het percentage uitzendkrachten in haar distributiecentra te verlagen naar 23%.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de Distributie-cao 2009-2010 is geëindigd en dat de obligatoire bepalingen in deze cao en in het Protocol Uitzendkrachten dat bij deze cao hoort, niet nawerken en derhalve niet meer (rechtstreeks) gelden. Het Onderhandelingsresultaat daarentegen heeft nog een looptijd tot en met 14 oktober 2012. Niet in geschil is dat het Onderhandelingsresultaat louter obligatoire bepalingen betreft. Dat brengt met zich dat de bepalingen in het Onderhandelingsresultaat evenmin nawerken en dat Albert Heijn dientengevolge ná het verstrijken van de looptijd ervan niet (meer) aan het Onderhandelingsresultaat zal zijn gebonden.

Kern van het geschil tussen partijen vormt de vraag of tussen partijen de 'harde afspraak' is gemaakt dat Albert Heijn uiterlijk op het einde van de looptijd van het Onderhandelingsresultaat het percentage van bij haar distributieorganisatie werkzame uitzendkrachten zou dienen te hebben teruggebracht tot 23%. Vaststaat dat een verplichting voor Albert Heijn tot naleving van een dergelijke afspraak niet rechtstreeks kan volgen uit de tekst of de bedoeling van de laatst geldende Distributie-cao, nu deze is geëindigd. Een dergelijke afspraak kan evenmin worden gelezen in de bewoordingen van het Onderhandelingsresultaat. Daarin wordt immers slechts gerept van een overleg over de kwaliteitsagenda, in welk overleg partijen gezamenlijk voorstellen zouden opstellen voor vernieuwing van de cao, waaronder het streven naar afspraken die leiden tot een percentage uitzendkrachten zoals genoemd in de cao. Gelet op de Haviltex-norm is in de onderhavige procedure niet aannemelijk geworden dat partijen - in afwijking van de op zichzelf duidelijke bewoordingen van het Onderhandelingsresultaat - bij het sluiten daarvan de bedoeling hebben gehad om de in eerdere Distributie-cao's neergelegde verplichting van Albert Heijn tot verlaging van het percentage uitzendkrachten in haar distributieorganisatie onverkort in stand te laten. Volgt afwijzing van de vordering.