Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Iran-United States Claims Tribunal
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 25 september 2012
ECLI:NL:GHSGR:2012:BX8215

werkneemster/Iran-United States Claims Tribunal

Arbeidsgeschil tussen Secretary/Registry Clerck en het Iran-United States Claims Tribunal valt onder immuniteit van jurisdictie, zodat de rechter geen rechtsmacht toekomt. Ontslag voorleggen aan Tribunaal is niet in strijd met artikel 6 EVRM

Werkneemster is op 23 augustus 1982 als secretaresse (‘Secretary’) in dienst getreden bij het Tribunaal (Iran-United States Claims Tribunal). Op de arbeidsovereenkomst zijn de ‘Staff Rules’ van het Tribunaal van toepassing. De arbeidsovereenkomst, die was aangegaan voor de duur van een jaar, is vervolgens telkens met een jaar verlengd. In 1988 werd werkneemster benoemd tot ‘Secretary/Registry Clerck’. Bij brief van 10 juni 2010 heeft het Tribunaal aan werkneemster bericht dat is besloten om haar positie van ‘Secretary/Registry Clerck’ op te heffen na ommekomst van de laatste verlenging van haar arbeidsovereenkomst (per 31 augustus 2010), zulks op grond van artikel 8 lid 1 van de Staff Rules en vanwege budgettaire redenen. Op grond van de Staff Rules kan een arbeidsgeschil worden voorgelegd aan de negen arbiters van het Tribunaal. Het onderhavige arbeidsgeschil is niet aan hen voorgelegd. In deze procedure vordert werkneemster schadevergoeding ter zake van de financiële gevolgen van het niet-verlengen van haar dienstverband. In eerste aanleg heeft zij gevorderd – kort gezegd – het Tribunaal te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van in totaal € 280.955,30, een vergoeding voor openstaande vakantiedagen van € 2.568,31, rente en (buiten)gerechtelijke kosten. Het Tribunaal heeft bij incidentele conclusie van onbevoegdheid een beroep gedaan op immuniteit van jurisdictie en geconcludeerd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen van werkneemster kennis te nemen. De rechtbank heeft het beroep op immuniteit gehonoreerd en zich in het bestreden vonnis onbevoegd verklaard. Het hoger beroep van werkneemster richt zich tegen deze beslissing.

Het hof oordeelt als volgt. Het Tribunaal is gevestigd in Den Haag. Op grond van artikel 99 Rv is de Haagse rechter dus in beginsel bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van werkneemster tegen het Tribunaal. De vraag is evenwel of de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in dit geval wordt beperkt door een in het volkenrecht erkende uitzondering (artikel 13a Wet algemene bepalingen), te weten immuniteit van jurisdictie. In artikel 3 van de overeenkomst tussen Nederland en het Tribunaal, vastgelegd in een briefwisseling van 6/24 september 1990 tussen enerzijds de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en anderzijds de president van het Tribunaal, inzake het toekennen van voorrechten en immuniteiten aan het Tribunaal (Trb. 1990, 150), is aan het Tribunaal immuniteit van jurisdictie en executie verleend (vgl. ook HR 20 december 1985, NJ 1986, 438). Het Tribunaal is dus, optredend binnen de grenzen van zijn taakuitoefening (‘within the scope of the performance of its tasks’) niet onderworpen aan de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Zoals blijkt uit HR 20 december 1985, NJ 1986, 438, r.o. 3.3.3-4 gaat het daarbij om alle geschillen die onmiddellijk verband houden met de vervulling van de aan hem opgedragen taken (vgl. ook HR 23 oktober 2009, NJ 2009, 527). De vraag is dus of het onderhavige arbeidsgeschil een dergelijk geschil is. Werkneemster was, zo is niet in geschil, werkzaam op de ‘Registry’ (griffie) van het Tribunaal en verrichtte daar werkzaamheden van administratieve aard. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of niet voldoende betwist moet als vaststaand worden beschouwd dat haar werkzaamheden (in ieder geval tot 10 februari 2010) inhielden, kort gezegd, het registreren, verspreiden, doorsturen en opbergen van (proces)documenten, het beheren van de agenda’s van leidinggevenden, het opstellen, onderhouden en gebruiken van de databank van de Registry, en het beheren van het algemene e-mailadres van het Tribunaal. Naar het oordeel van het hof speelde werkneemster in haar functie van ‘Secretary/Registry Clerck’, gelet op de hiervoor genoemde werkzaamheden, een noodzakelijke rol bij het vervullen van de aan het Tribunaal opgedragen taken – zij maakte onderdeel uit van het ‘primaire proces’ van het Tribunaal –, en moet het onderhavige arbeidsgeschil derhalve worden aangemerkt als een geschil dat onmiddellijk verband houdt met de vervulling van deze taken, als bedoeld in HR 20 december 1985, NJ 1986, 438, en HR 23 oktober 2009, NJ 2009, 527. Dat betekent dat het Tribunaal zich in beginsel kan beroepen op zijn immuniteit van jurisdictie.

Werkneemster heeft voorts onder meer gewezen op HR 5 februari 2010, NJ 2010, 524, in welke zaak is geoordeeld dat het Koninkrijk Marokko geen beroep op immuniteit toekwam in een arbeidsgeschil met een secretaresse op de Marokkaanse ambassade in Nederland. Het hof acht die uitspraak voor de onderhavige zaak echter niet van belang, reeds omdat het in die zaak ging om staatsimmuniteit, terwijl het in de onderhavige zaak gaat om immuniteit van een internationale organisatie. Voor immuniteit van internationale organisaties, welke immuniteit ten doel heeft de goede werking van deze internationale organisaties te bevorderen, geldt een ander beoordelingskader, dat is ingegeven door de bijzondere positie van internationale organisaties en de noodzaak om hun onafhankelijkheid ten opzichte van met name de gastheerstaat, met wie zij territoriaal verbonden zijn, te verzekeren (vgl. ook EHRM 18 februari 1999, nr. 26083/94, Waite en Kennedy/Duitsland). Dat andere beoordelingskader leidt – zoals uit het voorgaande blijkt – in casu tot het oordeel dat het Tribunaal in beginsel een beroep kan doen op immuniteit van jurisdictie.

Werkneemster stelt zich ten slotte (onder verwijzing naar de noot van De Waart onder HR 20 december 1985, NJ 1986, 438) op het standpunt dat de interne bezwaarprocedure in strijd is met artikel 6 EVRM. Het hof volgt haar niet in dit standpunt. Uit de eerdergenoemde beslissing van het EHRM in de zaak Waite en Kennedy/Duitsland blijkt dat een alternatieve rechtsgang beschikbaar moet zijn, en dat daarvoor een interne rechtsgang die door de internationale organisatie in het leven geroepen is, in aanmerking kan komen (par. 2.19 van de Conclusie van A-G Vlas voor HR 13 april 2012, RvdW 2012, 579; zie ook HR 20 december 1985, NJ 1986, 438). Het enkele feit dat het om een interne rechtsgang gaat, brengt dus niet mee dat, gelet op het recht op toegang tot de rechter, een uitzondering moet worden gemaakt op de immuniteit van jurisdictie van de internationale organisatie. Andere feiten, omstandigheden, gronden of bezwaren heeft werkneemster in dit verband niet gesteld of naar voren gebracht, ook niet in eerste aanleg. Werkneemster heeft dus, zoals ook de rechtbank overwoog, onvoldoende gesteld, zeker in het licht van de omstandigheid dat vaststaat dat de interne rechtsgang inhoudt toetsing door alle negen aan het Tribunaal verbonden arbiters. Aan een toetsing van de interne rechtsgang komt de rechter dan niet toe.