Rechtspraak
X/Y
Begin 2011 zijn X en Y een overeenkomst van opdracht aangegaan, die ertoe strekte dat X als regisseur van en als acteur in de musical Klein Duimpje zou optreden. Op 1 september 2011 heeft Y laten weten de samenwerking met X per direct te beëindigen. X stelt dat de overeenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd. De overeenkomst mocht niet zonder ontslagvergunning worden opgezegd. Indien geen sprake zou zijn van een arbeidsverhouding, dan was Y op grond van de redelijkheid en billijkheid gehouden een redelijke opzegtermijn in acht te nemen. Aangezien zonder termijn is opgezegd, is Y ook in dat geval schadeplichtig, aldus X.
De rechtbank oordeelt als volgt. Partijen zijn het erover eens dat hun verhouding niet kwalificeert als een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW, maar als een overeenkomst van opdracht. Derhalve beperkt het geschil zich op dit punt tot de vraag of die opdracht mede moet worden aangemerkt als een arbeidsverhouding in de zin van het BBA, hetgeen een andersoortige arbeidsverhouding dan de arbeidsovereenkomst betreft.
Van een duidelijke en ondubbelzinnige instemming van X met de opzegging is niet gebleken. Het standpunt van X dat betaling van het volledige bedrag van € 40.450 was gegarandeerd is onvoldoende onderbouwd. Indien de rechtbank van de hypothetische situatie uitgaat dat het BBA van toepassing is, vormt het feit dat X aanwijzingen van Y in de wind heeft geslagen en zich laatdunkend heeft uitgelaten over Y geen dringende reden. Y heeft de samenwerking derhalve niet met onmiddellijke ingang van 1 september 2011 mogen stoppen.
Ten aanzien van de toepasselijkheid van het BBA wordt overwogen dat voor het antwoord op de vraag of X onder de definitie van artikel 1, aanhef en onder b sub 2, van het BBA valt aan vier voorwaarden moet zijn voldaan, te weten: de persoon is verplicht de arbeid persoonlijk te verrichten, de persoon verricht dergelijke arbeid in de regel niet voor meer dan twee anderen, de persoon laat zich niet door meer dan twee andere personen bijstaan en de arbeid is voor de persoon niet slechts een bijkomstige werkzaamheid. De laatste twee voorwaarden zijn niet in geschil. Het bestaan van de tweede voorwaarde is door Y onvoldoende betwist. Voor wat betreft de eerste voorwaarde hebben partijen hun standpunten summierlijk onderbouwd. Partijen krijgen de gelegenheid hun standpunten bij akte nader toe te lichten.
Met het oog op voortzetting van de procedure onderscheidt de rechtbank de situatie dat het BBA wel van toepassing is en de situatie dat het BBA niet van toepassing is. Als het BBA wel van toepassing is, is de primair gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar. De arbeidsverhouding tussen partijen is dan pas geëindigd met de opzegging – na toestemming van het UWV – door Y per 30 januari 2012. De hoogte van het verschuldigde loon over de periode van 1 september 2011 tot 30 januari 2012 moet dan worden beoordeeld aan de hand van artikel 7:411 BW. De rechtbank geeft een overzicht van omstandigheden die in aanmerking moeten worden genomen. De rechtbank acht toekenning van een gedeelte van het loon gedurende een periode van vier maanden na 1 september 2011 redelijk. Als het BBA niet van toepassing is, had in ieder geval een redelijke opzegtermijn in acht moeten worden genomen. De duur van de opzegtermijn is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Een opzegtermijn van drie maanden wordt in dit geval redelijk geacht. Partijen krijgen de gelegenheid zich bij akte uit te laten over de concrete inkomensschade van X.