Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Stichting Uitzicht
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 9 oktober 2012
ECLI:NL:GHARN:2012:BY2244

werknemer/Stichting Uitzicht

BBA niet van toepassing op stichting die in opdracht van gemeente uitvoering geeft van Wet inschakeling werkzoekenden

Werknemer is op 1 maart 1993 in dienst van Uitzicht getreden. Op de arbeidsovereenkomst zijn ingevolge artikel 2 lid 3 ervan de bepalingen van het burgerlijk recht van toepassing, tenzij bij de Rijksbijdrageregeling Banenpools anders is bepaald of bij die overeenkomst anders is overeengekomen. Werknemer was laatstelijk via Uitzicht gedetacheerd bij PAN. Werknemer wilde echter niet meer verder bij PAN. Uitzicht heeft de dienstbetrekking tegen 1 april 2009 opgezegd. De werknemer heeft de nietigheid van de opzegging ingeroepen, omdat volgens hem de noodzakelijke toestemming van het UWV WERKbedrijf ontbrak. Subsidiair vordert werknemer schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. De kantonrechter oordeelde dat vanwege de nauwe verwantschap van Uitzicht met de Gemeente Nijmegen (laatstgenoemde bepaalde het ontslagbeleid bij de stichting), de uitzondering van artikel 2 BBA (overheidspersoneel) ook hier van toepassing is, zodat geen toetstemming is vereist. Tegen dit oordeel keert werknemer zich in hoger beroep.

Het hof oordeelt als volgt. Het hof verwijst allereerst naar de verschillende wettelijke regelingen, zoals artikel 24 Wet inschakeling werkzoekenden en de WWB, waaruit het afleidt dat de gemeente – zoal niet formeel werkgever – in ieder geval het ontslagbeleid voor een belangrijk deel bepaalde. Daarnaast was er ook sprake van een grote bestuurlijke verwevenheid tussen de gemeente Nijmegen en Stichting Uitzicht, zowel op bestuurlijk als financieel gebied. Vanaf de oprichting van Stichting Uitzicht voert de Dienst Sociale Zaken, in opdracht van de gemeenteraad, de werkzaamheden ten behoeve van Stichting Uitzicht uit. Op grond van dit alles komt het hof tot de conclusie dat, als de gemeente Nijmegen al niet zou kunnen worden beschouwd als de formele werkgever van werknemer, zij in ieder geval het ontslagbeleid van Stichting Uitzicht bepaalde. Gelet op artikel 2 lid 1 sub a BBA was er daarom geen ontslagvergunning nodig.

Wat de kennelijke onredelijkheid van de opzegging betreft, oordeelt het hof dat werknemer onvoldoende gemotiveerd de stellingen van Uitzicht heeft betwist. Voorts kan juist geoordeeld worden dat Uitzicht zich als goed werkgever heeft gedragen door werknemer langer dan contractueel geboden te begeleiden naar ander werk. Daarnaast valt juist werknemer het een en ander te verwijten wat de verstoorde arbeidsrelatie betreft. Dat een dienstverband van 16 jaar tot een einde komt zonder vergoeding, doet hieraan niet af.