Naar boven ↑

Rechtspraak

NVZD vereniging van bestuurders in de zorg/Staat der Nederlanden
Rechtbank Den Haag, 11 januari 2013
ECLI:NL:RBDHA:2013:BY8165

NVZD vereniging van bestuurders in de zorg/Staat der Nederlanden

Maximale bezoldigingsnorm (Balkenendenorm) op grond van de Wet normering topinkomens is ook van toepassing op bestuurders in de zorgsector. Inmenging in eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM is gerechtvaardigd

Op 1 januari 2013 is de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) in werking getreden. De WNT bevat drie regimes voor het reguleren van beloningen, te weten: (1) een maximale bezoldigingsnorm of WNT-norm (ook wel ‘Balkenendenorm’, namelijk 130% van een ministersalaris) voor publieke en daaraan nauw verwante instellingen; (2) een sectorale bezoldigingsnorm voor aangewezen semipublieke instellingen die verder van de publieke sector afstaan, die wordt overeengekomen tussen de betrokken minister en de sector, en (3) een openbaarmakingsplicht voor specifiek aangewezen semipublieke instellingen.

Het uiteindelijke (aangenomen) wetsvoorstel reguleert zorginstellingen onder het eerste regime, waarvoor een maximale beloningsnorm geldt. NVZD (vereniging voor bestuurders in de zorg) vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te bevelen om de WNT per 1 januari 2013 buiten toepassing te laten voor zover de maximale bezoldigingsnorm zoals daarin opgenomen ziet op de in artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen bedoelde zorginstellingen, waaronder begrepen academische ziekenhuizen. NVZD voert onder meer aan dat zorginstellingen geen publieke of daaraan nauw verwante instellingen zijn en dan ook niet gereguleerd dienen te worden onder het eerste regime van de WNT. De toepassing van de WNT is volgens NVZD in strijd met bepalingen van internationale en Europese verdragen voor zover de zorginstellingen worden gereguleerd in het eerste regime.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Vooropgesteld wordt dat de vordering zich richt tegen de Staat als wetgever en strekt tot het buiten toepassing doen verklaren van een deel van een wet in formele zin. Op grond van artikel 94 Grondwet en vaste jurisprudentie (vgl. HR 1 juli 1983, NJ 1984, 360) is terughoudendheid van de rechter op zijn plaats. De stelling van NVZD dat de zorginstellingen, als privaatrechtelijke rechtspersonen, niet behoren te worden gecategoriseerd onder het eerste regime van de WNT wordt gepasseerd. Vaststaat immers dat zorginstellingen zijn belast met een zekere publieke functie. In hoeverre een instelling als meer publiek of meer privaat dient te worden beschouwd, is afhankelijk van de weging van verschillende factoren. Die weging is in beginsel voorbehouden aan de wetgever en kan in deze kortgedingprocedure slechts marginaal worden getoetst. Van evidente onredelijke keuzes van de wetgever is geen sprake.

Voor de vraag of sprake is van een schending van artikel 1 Eerste Protocol (EP) bij het EVRM is in de eerste plaats van belang of de aanspraak op salaris een eigendom is als bedoeld in dat artikel. Die vraag wordt bevestigend beantwoord. De voorzieningenrechter is evenwel met de Staat van oordeel dat ten aanzien van bestuurders waarvoor er thans nog geen aanspraak bestaat op een bezoldiging boven de Balkenendenorm geen sprake is van eigendom dat op grond van artikel 1 EP wordt beschermd. De vraag of met de invoering van de WNT tevens een inbreuk wordt gemaakt op eigendomsrechten van de zorginstellingen kan in het kader van dit geschil buiten beschouwing worden gelaten, nu NVZD enkel de bestuurders vertegenwoordigt.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de inmenging in het eigendomsrecht gerechtvaardigd is. Daarvoor is van belang of de inmenging (1) bij wet is voorzien, (2) een gerechtvaardigd algemeen belang dient en (3) proportioneel is. Vaststaat dat de maximering van topinkomens bij formele wet, namelijk de WNT, is voorzien. Het gerechtvaardigd algemeen belang is hier voldoende aanwezig, nu de Staat heeft aangevoerd met de WNT te beogen de beloningen van de bestuurders in de zorg tot een maatschappelijk aanvaardbaar niveau te reduceren. Invoering van de WNT is niet in strijd met de proportionaliteit. Hierbij wordt meegewogen dat is voorzien in een overgangsregeling. Ook de stelling van NVZD dat minder ingrijpende maatregelen dan de categorisering onder het eerste regime van de WNT volstaan voor het bereiken van de gewenste doelen, slaagt niet. NVZD heeft immers niet betwist dat bezoldigingen die de Balkenendenorm overstijgen in de algemene maatschappelijke opvatting als excessief worden beschouwd. Het beperken van excessieve beloningen bij zorginstellingen, het beoogde doel, kan dan ook enkel worden bereikt door handhaving van die norm zoals voorgeschreven in het eerste regime van de WNT.

NVZD stelt voorts dat toepassing van de WNT in strijd is met het gelijkheidsbeginsel ex artikel 14 EVRM. Daarbij verwijst zij naar de zorgverzekeraars die, anders dan de zorginstellingen, wel onder het tweede regime zijn gereguleerd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Staat voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zorginstellingen en zorgverzekeraars niet als gelijke gevallen dienen te worden beschouwd, zodat schending van het gelijkheidsbeginsel niet kan worden aangenomen. De stelling van NVZD dat de WNT in strijd is met het recht op collectief onderhandelen en de vrijheid van vakvereniging zoals is vastgelegd in de artikelen 11 EVRM en 12 van het Handvest faalt. Volgt afwijzing van de vordering.

  • Advocaten: S. van Heukelom-Verhage
  • Wetsartikelen: 11 EVRM, 14 EVRM, 1 Eerste Protocol EVRM en 94 Grondwet
  • Onderwerpen: Overige
  • Trefwoorden: Wet normering topinkomens, zorgsector, eigendomsrecht en Balkenendenorm